“(…) Overtreding klasse A en B: (zeer) ernstige overtreding en/of misdrijf
Klasse A en B overtredingen (of misdrijven) onderscheiden zich niet van elkaar wat betreft de ernst van de geconstateerde feiten en omstandigheden. Voor beide geldt dat de aard van de overtreding en/of overtreder als volgt kan worden gekarakteriseerd.
Ten aanzien van de overtreding:
Feiten die naar hun aard en omvang grote gevolgen (gevaar, schade, hinder en maatschappelijk impact) kunnen hebben met betrekking tot:
(…)
- de veiligheid van de mens en/of;
(…).
Met ‘(zeer) ernstig’ wordt bedoeld dat er daadwerkelijk sprake is van ernstige gevolgen danwel van een aanmerkelijk risico dat de overtreding ernstige gevolgen zich voordoen. Deze gevolgen:
- zijn aanzienlijk en onomkeerbaar en/of;
- kunnen zich direct maar ook op lange termijn voordoen en vereisen een (snel) ingrijpen van de overheid;
- kunnen bestaan uit een risico op maatschappelijk onrust, een risico op slachtoffers of misleiding van de consument en/of;
- kunnen effect hebben op de keten, het systeem of het gezag van de NVWA.
(…)
Deze opsomming is niet limitatief.
Keuze klasse A of klasse B
(…)
Klasse B
Dit betreft ernstige overtredingen waarop bestuursrechtelijk of strafrechtelijk gehandhaafd wordt. (…).
Overtreding klasse C: overtreding
Een overtreding met een zodanig karakter, dat er weliswaar geen sprake is van een overtreding in klasse A of B, maar dat de handeling of gedraging dusdanig ongewenst is dat herhaling van de overtreding moet worden voorkomen, mede ter voorkoming van het ontstaan van een ernstigere overtreding.”
Gelet op de tekortkomingen die in het FME-rapport zijn geconstateerd en de risico’s die deze tekortkomingen met zich brengen - oververhitting met als gevolg brand en/of explosie - kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat sprake is van ernstige gevolgen dan wel van een aanmerkelijk risico dat de ernstige gevolgen zich voordoen en dat dus sprake is van ernstige overtredingen (klasse B). Een brand en/of explosie kan namelijk ernstige gevolgen hebben voor de veiligheid van de mens.
In paragraaf 4.2 van het Algemeen Interventiebeleid staat dat bij een klasse B overtreding een sanctionerende interventie en/of een corrigerende interventie wordt opgelegd. De waarschuwing als interventie is passend bij klasse C overtredingen, waarvan in dit geval dus geen sprake is.
Uit het voorgaande volgt dat [verweerder 1] met betrekking tot het in de handel brengen van een onveilig product (overtreding 1) en het niet voldoen aan de meldplicht (overtreding 3) niet hoefde te volstaan met een waarschuwing, maar bevoegd was om voor die overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen.
Was [verweerder 1] bevoegd om een omzetgerelateerde bestuurlijke boete op te leggen?
11. Eiseres betoogt – kort samengevat – dat uit het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten volgt dat sprake dient te zijn van een ernstig gebrek aan voorzorgsmaatregelen. Verder is het opleggen van een omzetgerelateerde boete geformuleerd als een kan-bepaling. Wanneer aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid wordt voldaan, dient [verweerder 1] nog steeds af te wegen en te motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden hij besluit gebruik te maken van de hem toekomende bevoegdheid. Een dergelijke afweging ontbreekt in het bestreden besluit.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
In artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten is bepaald dat voor elke in de bijlage omschreven overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Warenwet de in kolom III opgenomen aanduiding «x» bepaalt dat ter zake van die overtreding een omzetgerelateerde bestuurlijke boete kan worden opgelegd. In die bijlage staat in categorie “A-1 Warenwet” genoemd “A-1.1 artikel 18, onderdeel a”.
In die bijlage staat verder in categorie “A-1 Warenwet” genoemd “A-1.8 artikel 21b, eerste lid”. Op grond van (de bijlage bij) het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten en de Warenwet heeft [verweerder 1] dus de bevoegdheid om voor deze overtredingen een omzetgerelateerde boete op te leggen.
Uit artikel 2, tweede lid, van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten volgt dat
– naast het vereiste van een bepaalde jaaromzet – voor een omzetgerelateerde boete aanleiding bestaat als de in de overtreding genoemde gedraging opzettelijk dan wel met grove schuld is verricht. Uit de nota van toelichting bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten volgt dat er sprake kan zijn van grove schuld indien een bedrijf gebrekkige voorzorgsmaatregelen treft.
De vraag is of sprake is van grove schuld omdat eiseres gebrekkige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
De rechtbank neemt ook hierbij in aanmerking dat eiseres in 2018 al door de NVWA is gewezen op het belang van temperatuurbewaking bij lithium-ion cellen en het explosiegevaar bij het ontbreken daarvan. Verder spelen ook in dit verband de klachtmeldingen op 3 december 2019 en 21 januari 2020 over type ISW.32.501/ISW.32.502 een rol. Eiseres is ook na deze klachtmeldingen (in ieder geval) het vergelijkbare type ISW.47.324 blijven verhandelen, terwijl vaststaat dat bij dit type een temperatuurbewaking ontbreekt. Op grond daarvan heeft [verweerder 1] kunnen concluderen dat eiseres gebrekkige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat ten aanzien van de overtreding van artikel 18, aanhef en onder a, van de Warenwet sprake is van grove schuld.
Die grove schuld is er naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van de overtreding van artikel 21b van de Warenwet. Eiseres had namelijk het risico als hoog moeten inschatten en had moeten onderkennen dat een explosie van een powerbank kan leiden tot (ernstig) letsel en schade, zodat sprake is van ernstige gevolgen. Zij had daarom hangende het onderzoek dat zij door [naam fabrikant] heeft laten uitvoeren onverwijld de NVWA in kennis moeten stellen. In plaats daarvan heeft zij echter de uitkomsten van dat onderzoek afgewacht, terwijl ondertussen vergelijkbare powerbanks nog door haar werden verkocht.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verweerder 1] bevoegd was om aan eiseres voor beide overtredingen een omzetgerelateerde bestuurlijke boete op te leggen omdat ten aanzien van beide overtredingen sprake was van grove schuld.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde bestuurlijke boete
12. Eiseres betoogt – kort samengevat – dat de opgelegde boetes onevenredig hoog zijn. Duidelijk is dat de eventuele overtredingen niet zwart-wit zijn. Desondanks heeft [verweerder 1] de maximale boetehoogte opgelegd. Overtreding van artikel 21b van de Warenwet vloeit in deze omstandigheden automatisch voort uit overtreding van artikel 18, onder a, van de Warenwet. Het opleggen van de maximale boetehoogte voor overtreding van artikel 21b van de Warenwet is daarom volgens eiseres onevenredig. Daarnaast wijst eiseres op de verzachtende omstandigheden. Ook was de winst op de powerbanks significant lager dan de nu opgelegde boetes.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
[verweerder 1] heeft de hoogte van de boetes als volgt gemotiveerd. De maximale hoogte van de omzetgerelateerde boete is gekoppeld aan de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien 0,5% van de netto-jaaromzet van 2019 van eiseres die maximale boetehoogte ruim zal overschrijden, heeft [verweerder 1] de boetes vastgesteld op de maximale boetehoogte van telkens € 435.000,-. De rechtbank stelt vast dat eiseres die berekening van [verweerder 1] niet betwist. Wel stelt zij dat de winst van de verkoop van de powerbanks lager was dan de boete. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat laatste echter geen rol spelen, nu in artikel 2, tweede lid, van het Warenwetbesluit alleen wordt aangesloten bij de jaaromzet van een bedrijf en niet bij de winst.
In het bestreden besluit is [verweerder 1] uitgebreid ingegaan op de evenredigheid van deze omzetgerelateerde boetes en heeft hij overwogen dat bij de vraag of de voor eiseres nadelige gevolgen van het bestreden besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, het volgende van belang is:
1. de ernst van de overtredingen;
2. de mate waarin de overtredingen aan eiseres kunnen worden verweten;
3. de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan.
Ook is [verweerder 1] uitgebreid ingegaan op de in recente rechtspraak geformuleerde criteria, te weten dat de bestuursrechter in het kader van toetsing van een besluit aan het evenredigheidsbeginsel zal beoordelen:
1. of het besluit geschikt is om het doel te bereiken;
2. of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kon worden volstaan en
3. of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep grotendeels heeft volstaan met een herhaling van de gronden van bezwaar. De door haar in dit verband aangevoerde verzachtende omstandigheden – kort gezegd: de CE-markering op de powerbanks, het door eiseres geïnitieerde onderzoek door [naam fabrikant] , haar compliancesysteem en de omstandigheid dat zij in de afgelopen jaren diverse veiligheidswaarschuwingen heeft laten uitgaan en ook zelf meermaals bij de NVWA meldingen heeft gedaan – leiden niet tot het oordeel dat de opgelegde boete om die redenen onevenredig is. Die maatregelen, die deels overigens geheel losstaan van deze zaak, leiden op grond van al het voorgaande namelijk niet tot de conclusie dat de overtredingen van artikel 18, aanhef en onder a, en artikel 21b van de Warenwet niet of in mindere mate aan eiseres kunnen worden verweten of dat (de gevolgen van) de overtredingen als minder ernstig moeten worden aangemerkt.
Verder heeft [verweerder 1] voldoende gemotiveerd waarom de totale omzetgerelateerde boete van € 870.000,- niet is gematigd vanwege de door eiseres gestelde samenhang tussen de overtredingen 1 en 3. Van belang is dat op grond van artikel 5:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd. Dat aan die overtredingen min of meer hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding voor matiging. Het zijn namelijk twee verschillende gedragingen die eiseres worden verweten; enerzijds het verhandelen van een onveilig product en anderzijds het niet melden daarvan. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat overtreding van artikel 21b van de Warenwet in deze omstandigheden automatisch voortvloeit uit overtreding van artikel 18, onder a, van de Warenwet. Eiseres had er immers voor kunnen en moeten kiezen om wél onverwijld aan de NVWA te melden dat zij een onveilig product in de handel had gebracht. Als zij dat had gedaan, dan had zij in ieder geval overtreding van artikel 21b van de Warenwet voorkomen.
De conclusie van de rechtbank is dat [verweerder 1] in het bestreden besluit toereikend heeft gemotiveerd dat de omzetgerelateerde boete van in totaal € 870.000,- geschikt is om het doel te bereiken, namelijk om ervoor te zorgen dat eiseres zich houdt aan de volksgezondheids- en veiligheidseisen. Door het opleggen van deze boete wordt eiseres bestraft voor het (mogelijk) in gevaar brengen van de volksgezondheid en de boete voorkomt dat eiseres dit nogmaals doet. Daarom volgt de rechtbank [verweerder 1] ook in diens standpunt dat het opleggen van de boete een noodzakelijke maatregel is en ook dat het opleggen ervan in dit geval evenwichtig is. De opgelegde boete is om die reden niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Heeft [verweerder 1] gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel of verbod van willekeur?
13. Eiseres betoogt – kort samengevat – dat uit een klein eigen onderzoek van eiseres volgt dat de NVWA in een aantal gevallen waarin lithium-ion batterijproducten zijn ontploft heeft besloten niet te handhaven of anderszins kenbaar op te treden. Criteria waaraan de NVWA toetst om wel of niet handhavend op te treden bij een ontploffing met een lithium-ion cel of batterij, bestaan niet. Het handhavingsbeleid is daarmee willekeurig. Als [verweerder 1] van mening zou zijn geweest dat sprake was van een ernstig gevaar, had het voor de hand gelegen dat de NVWA op zijn minst onderzoek had laten doen naar andere powerbanks op de markt, en waar nodig zou hebben gehandhaafd. Dat dit niet gebeurd lijkt te zijn is eens te meer een bevestiging dat [verweerder 1] in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen zo veel mogelijk gelijk moeten worden behandeld. Volgens vaste rechtspraak van het CBb strekt het gelijkheidsbeginsel in het kader van het opleggen van bestuurlijke boetes niet zover dat de bevoegdheid tot het opleggen ervan onrechtmatig is uitgeoefend alleen omdat een eventuele andere overtreder niet is beboet. Dat kan anders komen te liggen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die duidt op willekeur in de handhavingspraktijk van het bevoegde bestuursorgaan. Om dit te kunnen toetsen, dient [verweerder 1] te motiveren waarin het verschil in behandeling is gelegen. Daarbij wordt geaccepteerd dat bestuursorganen een beperkte opsporings- en sanctiecapaciteit hebben en dat er bij de handhaving daarom keuzes moeten worden gemaakt. Deze motivering mag geen blijk geven van willekeur.
De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat [verweerder 1] heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft de gemachtigde van [verweerder 1] medegedeeld dat voor een deel van de andere producten dan powerbanks waarop het klein eigen onderzoek van eiseres betrekking heeft, niet de NVWA de toezichthouder is maar de Inspectie Leefomgeving en Transport, zoals elektrische steppen, elektrische scooters, elektrische auto’s en e-bikes. De rechtbank is ook niet gebleken dat sprake is van willekeur. Dat alleen de powerbank verhandeld door eiseres is onderzocht duidt daar niet op, nu de concrete aanleiding voor dat onderzoek is gelegen in de klacht bij de meldkamer van de NVWA. Uit de door eiseres met een verzoek op grond van de Wet open overheid verkregen informatie, kan de rechtbank ook niet opmaken dat de NVWA in een aan eiseres gelijk geval onderzoek of boeteoplegging achterwege heeft gelaten.
De rechtbank vindt het daarom in dit geval niet in strijd met het verbod van willekeur of met het gelijkheidsbeginsel dat [verweerder 1] , mede vanwege de beperkte handhavingscapaciteit, de keuze heeft gemaakt om naar aanleiding van een melding over een powerbank van eiseres, eiseres te onderzoeken en te beboeten en andere mogelijke overtreders niet.
Is sprake van strijd met andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
14. Eiseres stelt dat [verweerder 1] (moedwillig) informatie voor haar heeft achtergehouden. Eiseres heeft van meet af aan herhaald en benadrukt dat haar verzoek om informatie als onderdeel van de lopende bezwaarprocedure zou moeten worden behandeld en geen verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob, inmiddels vervangen door de Wet open overheid) was. Het is namelijk vaste rechtspraak dat degene die zich beroept op het gelijkheidsbeginsel vergelijkbare gevallen moet aandragen. Toch heeft [verweerder 1] geweigerd de informatie te verstrekken als onderdeel van de bezwaarprocedure. Het is evident dat [verweerder 1] bewust heeft gewacht met het nemen van een besluit op het Wob-verzoek totdat de beslissing op bezwaar was genomen. [verweerder 1] heeft hiermee eiseres effectief de mogelijkheid onthouden in de bezwaarfase haar beroep op het gelijkheidsbeginsel zo goed mogelijk te onderbouwen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gelet op de hiervoor weergegeven vaste rechtspraak over de onderbouwing van een beroep op het gelijkheidsbeginsel, stelt eiseres zich terecht op het standpunt dat zij voor die onderbouwing afhankelijk was van de informatie die zij bij [verweerder 1] heeft opgevraagd. Hoewel valt te begrijpen dat [verweerder 1] dat verzoek heeft opgevat als een Wob-verzoek, is de feitelijke gang van zaken op zijn minst genomen onhandig verlopen voor eiseres. Voor het oordeel dat [verweerder 1] de informatie moedwillig heeft achtergehouden, ziet de rechtbank echter geen grond. Daarbij is van belang dat de rechtbank geen aanleiding ziet om [verweerder 1] niet te volgen in zijn standpunt dat het beslissen op het bezwaar in deze procedure en het afhandelen van een Wob-verzoek binnen de NVWA door verschillende teams wordt gedaan en dat dit gescheiden procedures zijn die parallel aan elkaar kunnen lopen. De verwijzing naar de toename van het aantal Wob-verzoeken de laatste jaren en de stelling van [verweerder 1] dat bestuursorganen hier hun handen vol aan hebben, acht de rechtbank niet onaannemelijk. Dat neemt niet weg dat eiseres in deze zaak wel last heeft ondervonden van die scheiding binnen de NVWA. Het had de beslisambtenaar gesierd om hierover aantoonbaar afstemming te zoeken met zijn of haar collega in de Wob-procedure en, ook omdat eiseres daar in haar bezwaarschrift om had verzocht, de beslissing op bezwaar eventueel aan te houden. Dat dit niet is gebeurd leidt echter nog niet tot twijfel aan het standpunt van [verweerder 1] dat de informatie niet moedwillig is achtergehouden.
Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat [verweerder 1] heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- of het verdedigingsbeginsel.
Overschrijding van de redelijke termijn
15. Eiseres betoogt dat [verweerder 1] de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden door vanaf het opstellen van FME-rapport nog drie jaar de tijd te nemen voor het nemen van de primaire beslissing en de beslissing op bezwaar. Voor het geval de boeteoplegging in beroep in stand blijft, geeft die schending daarom aanleiding tot verlaging van de boete met (ten minste) 25%.
Deze beroepsgrond slaagt.
Volgens vaste rechtspraak geldt bij bestraffende sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn begint te lopen op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan de betrokkene de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Verder geldt dat de boete wordt verminderd met 5% per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval (bijvoorbeeld vanwege de ingewikkeldheid van de zaak of het processuele gedrag van partijen) van dit uitgangspunt af te wijken.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en het CBb volgt dat niet valt uit te sluiten dat in een concreet geval sprake is van specifieke omstandigheden, waarbij reeds voordat de boetekennisgeving wordt gedaan, jegens de overtreder een concrete handeling wordt verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Een enkele controle door inspecteurs is echter te onbepaald van aard om als een zodanige handeling te kunnen worden aangemerkt. De redelijke termijn kan wel gaan lopen op het moment dat het boeterapport aan de overtreder is verstuurd en bij dit rapport een begeleidende brief zit, waaruit blijkt dat zo spoedig mogelijk een boetevoornemen volgt. Daarvan is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. In de kennisgeving rapport van bevindingen van 21 april 2020 staat namelijk het volgende:
“(…) Van deze overtredingen wordt een Rapport van bevindingen opgemaakt. U ontvangt van het team Bestuurlijke maatregelen van de NVWA, bericht over wat er verder gaat gebeuren. Als dat team aanleiding ziet u een boete op te leggen, stuurt het u een zogeheten voornemen tot boeteoplegging. (…) Pas na zorgvuldige beoordeling van het rapport van bevindingen en de zienswijze, zal de beslissing worden genomen om u wel of geen boete op te leggen.(…)”
Anders dan eiseres stelt, is de redelijke termijn in dit geval daarom gaan lopen met het uitbrengen van het voornemen tot boeteoplegging op 23 juli 2021. Pas op dat moment was sprake van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Daarvan was nog geen sprake op het moment van opstellen van het FME-rapport. De opsteller van het FME-rapport, en overigens ook de toezichthouder die het rapport van bevindingen heeft opgesteld, heeft immers geen bevoegdheid om een bestraffende sanctie aan eiseres op te leggen.
De redelijke termijn verstreek dus in beginsel op 23 juli 2023. [verweerder 1] stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de complexiteit van het dossier en het tot twee keer toe op verzoek verlengen van de zienswijze aanleiding geeft om te oordelen dat geen sprake is van een termijnoverschrijding (althans minder dan een half jaar) dan wel maximaal matiging van 5% aan de orde kan zijn.
Wat [verweerder 1] stelt over de complexiteit van de zaak, overtuigt de rechtbank niet. Het deskundigenonderzoek dat heeft geleid tot het FME-rapport is namelijk verricht vóór het uitbrengen van het voornemen. Dit heeft dus geen invloed gehad op de overschrijding van de redelijke termijn. De overige deskundigenonderzoeken (door FSE Support en DNV) heeft eiseres zelf laten verrichten en daarvoor heeft zij bovendien geen uitstel verzocht of gekregen. Ook deze onderzoeken hebben dus geen invloed gehad op de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank stelt verder vast dat in het voornemen van 23 juli 2021 een termijn van twee weken is geboden voor het geven van een zienswijze. Die termijn liep dus tot en met 6 augustus 2021. Bij e-mail van 30 juli 2021 is de termijn op verzoek verlengd tot en met 24 september 2021. Bij e-mail van 23 september 2021 is de termijn nogmaals verlengd tot en met 29 september 2021. [verweerder 1] heeft de zienswijze ontvangen op 28 september 2021, dus bijna twee maanden na afloop van de oorspronkelijke termijn. Hierdoor heeft de procedure dus maar beperkt vertraging opgelopen. Met het tot twee maal toe verzoeken van uitstel is geen sprake van dusdanig processueel gedrag van eiseres, dat dit moet leiden tot de conclusie dat die vertraging in het nadeel van eiseres moet worden uitgelegd.
Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn in totaal met ruim één jaar overschreden. De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boete te matigen.
Zoals deze rechtbank recent heeft geoordeeld, heeft zij vastgesteld dat in de bestuursrechtspraak (en ook door deze rechtbank zelf) niet eenduidig wordt omgegaan met het matigen van bestuurlijke boetes bij overschrijding van de redelijke termijn. Soms wordt bijvoorbeeld een maximale matiging gehanteerd, maar soms ook niet. In het financieel en economisch bestuursrecht, waar in het algemeen hogere boetes aan de orde zijn, hanteert deze rechtbank voortaan onderstaande uitgangspunten bij overschrijding van de redelijke termijn, met dien verstande dat nieuwe rechtspraak van de hogerberoepsrechters en andere ontwikkelingen aanleiding kunnen zijn om deze uitgangspunten bij te stellen.
termijnoverschrijding
matiging boete
maximale matiging
tot 6 maanden
5%
€ 25.000,-
6 tot 12 maanden
10%
€ 50.000,-
12 tot 18 maanden
15%
€ 75.000,-
18 tot 24 maanden
20%
€ 100.000,-
meer dan 24 maanden
naar bevind van zaken
naar bevind van zaken
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden (maar minder dan 18 maanden) bestaat aanleiding de boete van € 870.000,- te matigen. De rechtbank stelt vast dat 15% van € 870.000,- zou neerkomen op een bedrag van € 130.500,-. Op grond van bovenstaande tabel komt de rechtbank tot een matiging van de boete met € 75.000,- tot een bedrag van € 795.000,-. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die tot een nadere matiging moeten leiden.
Voor de toerekening van de termijnoverschrijding aan de bestuurlijke of de rechterlijke fase geldt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd als deze de duur van een jaar overschrijdt. Hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase.
Het bestreden besluit is genomen op 17 maart 2023. Daarmee is in de bestuurlijke fase sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna acht maanden. De rechterlijke fase is aangevangen op 21 april 2023. Daarmee is in de rechterlijke fase sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier maanden.
Daarom bestaat aanleiding om de overschrijding voor 2/3 aan [verweerder 1] en voor 1/3 aan de rechtbank toe te rekenen. Daarom moeten de proceskosten voor wat betreft het beroep op overschrijding van de redelijke termijn voor 2/3 door [verweerder 1] worden vergoed en voor 1/3 door de Staat der Nederlanden, [verweerder 1] van Justitie en Veiligheid.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond. De boetes voor overtredingen 1 en 3 zijn terecht opgelegd, maar het boetebedrag moet worden verlaagd omdat de redelijke termijn is overschreden. De boete voor overtreding 2 had niet mogen worden opgelegd.
De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verder bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72a van de Awb dat het primaire besluit moet worden herroepen voor wat betreft de boete voor overtreding 2 en voor wat betreft de hoogte van de boetes voor overtredingen 1 en 3. De rechtbank stelt voor wat betreft dat laatste de boete zelf vast op € 795.000,-.
Omdat het beroep gegrond is moet [verweerder 1] het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
In verband met het gegronde beroep vanwege het vervallen van de boete voor overtreding 2 moet aan eiseres worden vergoed een bedrag van € 2.944,-, namelijk 2 punten voor de bezwaarfase (met een waarde van € 597,-) en 2 punten voor de beroepsfase (met een waarde van € 875,-). [verweerder 1] moet dit bedrag vergoeden.
In verband met het geslaagde beroep op overschrijding van de redelijke termijn wordt 1 punt met een waarde van € 875,- aan proceskostenvergoeding toegekend. De rechtbank hanteert daarbij, in navolging van de Hoge Raad in zijn arrest van 10 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1526), wegingsfactor 0,25 (€ 218,75). Het moet in beginsel zeer eenvoudig worden geacht om vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden en daar een beroep op te doen. De rechtbank zal dit bedrag evenredig verdelen. Omdat de termijnoverschrijding voor 2/3 aan [verweerder 1] is toe te rekenen, moet hij een bedrag van € 145,83 aan eiseres vergoeden. De termijnoverschrijding is voor 1/3 aan de rechtbank toe te rekenen. De Staat der Nederlanden ( [verweerder 1] van Justitie en Veiligheid) moet daarom € 72,92 aan eiseres vergoeden.
Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 maart 2023 voor wat betreft de boete voor overtreding 2 en voor wat betreft de hoogte van de boetes voor overtredingen 1 en 3;
- verklaart het bezwaar gegrond, herroept het besluit van 27 mei 2022 voor zover dat betrekking heeft op overtreding 2 en de hoogte van de opgelegde boetes en stelt de totale boete voor overtredingen 1 en 3 vast op € 795.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat [verweerder 1] het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt [verweerder 1] tot betaling van € 3.089,83 (€ 2.944,- + € 145,83) aan proceskosten aan eiseres;
- veroordeelt [verweerder 2] tot betaling van € 72,92 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzitter, en mr. V. van Dorst en mr. C.A. Geleijnse, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Warenwet
Artikel 18, aanhef en onder a
Onverminderd het bij of krachtens de voorgaande artikelen bepaalde is het verboden waren, niet zijnde eet en drinkwaren, te verhandelen waarvan degene die deze waren verhandelt, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij bij het gezien hun bestemming te verwachten gebruik bijzondere gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, of indien het technische voortbrengselen betreft, tevens voor de veiligheid van zaken.
Artikel 21b, eerste lid
Degene die waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, verhandelt of heeft verhandeld waarvan hij weet, of op grond van de hem ter beschikking staande gegevens beroepshalve behoort te weten, dat die waren een gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, stelt Onze Minister daarvan onmiddellijk op de hoogte en deelt daarbij Onze Minister tevens mede welke maatregelen door hem zijn genomen ter bescherming van de genoemde belangen.
Artikel 32a, eerste en tweede lid
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen (…) 13 tot en met 20, 21b (…).
2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedraagt.
Artikel 32b, eerste lid
Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de daarvoor op te leggen boete bepaalt, waarbij de hoogte van het bedrag mede gebaseerd kan worden op het aantal werknemers, de mate van verwijtbaarheid, de omzet of een gedeelte van de omzet van de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de boetehoogte wordt bepaald.
Warenwetbesluit algemene productveiligheid
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder product: een waar, niet zijnde eet- of drinkwaar, die bestemd is voor de consument of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat het door de consument kan worden gebruikt ook al is het niet voor hem bestemd, en die in het kader van een handelsactiviteit tegen betaling of gratis wordt geleverd of beschikbaar gesteld, ongeacht of het nieuw, tweedehands of opnieuw in goede staat gebracht is.
Artikel 2, eerste lid, onder b, 2° en tweede lid, onder b, 2°
1. De producent dient binnen het bestek van zijn activiteiten:
b. op de kenmerken van de door hem geleverde producten afgestemde maatregelen te nemen om:
2°. passende acties te kunnen ondernemen om mogelijke veiligheids- en gezondheidsrisico’s van deze producten te voorkomen, waaronder:
– het uit de markt nemen van het betrokken product;
– het passend en doeltreffend waarschuwen van de consument;
– het terugroepen van het betrokken product.
2. Onder de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden onder meer begrepen:
b. in alle gevallen waarin dat toepasselijk is:
2°. het onderzoek van klachten.
Artikel 2a, eerste lid
Het is verboden producten te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften, bedoeld in artikel 2.
Warenwetbesluit bestuurlijke boeten
Artikel 2
1. Voor elke in de bijlage omschreven overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Warenwet, bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag de te betalen bestuurlijke boete, dan wel bepaalt de in kolom III opgenomen aanduiding «x» dat ter zake van die overtreding een omzetgerelateerde bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
2. De omzetgerelateerde boete bedoeld in het eerste lid is gelijk aan één procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan de overtreding met een maximum gelijk aan het bedrag van een geldboete van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht indien de in de overtreding genoemde gedraging opzettelijk is verricht dan wel een half procent indien de in de overtreding genoemde gedraging met grove schuld is verricht.
3. De berekening van de omzet, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op voet van het bepaalde voor de netto-omzet in artikel 377, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3, tweede en derde lid
2. Het in kolom II van de bijlage genoemde bedrag van de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon welke op de dag waarop de overtreding is begaan meer dan 50 werknemers telde.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de in kolom III opgenomen omzetgerelateerde boete worden opgelegd aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon met een omzet van ten minste tien miljoen euro in het boekjaar voorafgaande aan de overtreding.
Bijlage
Algemeen
A-1 Warenwet
I II III
A-1.1 artikel 18, onderdeel a € 795,- € 1.590,- X
A-1.8 artikel 21b, eerste lid € 795,- € 1.590,- X