Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/263758-23, 10/348913-24 en 10/169615-24 (gevoegd ttz)
Parketnummers vordering TUL VV: 10/159711-21 en 10/065981-23
Datum uitspraak: 20 februari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. W.J. van Bel, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 6 februari 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A. de Bruijne heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/169615-24 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het in de zaak met parketnummer 10/263758-23 onder 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/348913-24 onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/263758-23 onder 1 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/348913-24 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/263758-23 onder 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/348913-24 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Parketnummer 10/263758-23
Feit 1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2023 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam en/of te Rhoon, gemeente Albrandswaard, in elk geval in Nederland, op de Viaductweg, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas (merk Banlieu) met hierin onder meer een bankpas (Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer]) en/of een portemonnee en/of een ketting (met hanger nummer [nummer]) en/of een mobiele telefoon (merk/type Samsung Galaxy S5), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) die [slachtoffer 1]
- (terwijl hij zich in een rijdende metro bevond) vast te pakken en/of
- te slaan op de (linkerkant) van het gezicht en/of
- met een nekklem vast te pakken en/of vast te houden en/of
- te slaan en/of te stompen in de buik en/of
- (aangekomen bij metrostation Rhoon) uit de metro te trekken en/of (vervolgens)
- (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen.
Feit 2.
hij op of omstreeks 10 oktober 2023 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22lr, voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 10/348913-24
Feit 1.
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Rotterdam, op/aan/nabij de openbare weg, te weten op/aan/nabij het Ahoypad en/of Zuiderpark tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om dezehet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] aan de kant te drukken en/of tot stoppen te dwingen en/of
- die [slachtoffer 3] vast te pakken en/of
- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] te drukken en/of
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te drukken en/of
- dreigend de woorden "stap af" te zeggen en/of
- een foto van de id-kaarten van die [slachtoffer 2] en/of van die [slachtoffer 3] te maken en/of
- dreigend de woorden '"Als je naar de politie gaat dan stuur ik jongens op je af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, te zeggen en/of
- (vervolgens) weg te rijden op de fatbike van die [slachtoffer 2].
Feit 2.
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een (omgebouwd) (gas)pistool, van het merk Blow, type TR92, kaliber .380 (9 mm Br/kort)
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 Categorie III van die wet, te weten 13 kogelpatronen, kaliber .380 auto (9mm kort) voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10/263758-23
Feit 1 primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Parketnummer 10/348913-24
Feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van feit 2 in de zaak met parketnummer 10/263758-23 en van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10/348913-24 uitsluiten. Deze feiten zijn dus strafbaar.
Strafbaarheid feit 1 in de zaak met parketnummer 10/263758-23
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De aangever heeft door het trekken en het tonen van het mes en de poging het mes (vervolgens weer) van de omstander af te pakken (voortdurend) de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval jegens de verdachten ingezet. De verdachte verklaart dat de aangever - nadat het hem niet lukte om het mes van de omstander af te pakken - naar zijn tasje greep. Nu de aangever een groot mes had, vreesden de verdachten voor wat de aangever in zijn tas zou kunnen hebben. De verdachten moesten en mochten zich hiertegen verdedigen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed - dan wel een dreigend gevaar daarvoor - waartegen verdediging noodzakelijk was. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging, kan worden aangemerkt als "verdediging", maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Op grond van de beschrijving en de fotoafdrukken van de camerabeelden en de verklaringen van de [medeverdachte 1], de aangever en de verdachte stelt de rechtbank de volgende feitelijke gang van zaken vast. Kort nadat de aangever de metro instapt, worden er blikken tussen de verdachten en de aangever gewisseld. In de metro loopt de [medeverdachte 1] achter de aangever aan, hij spreekt de aangever aan en geeft hem een duw. Vervolgens komt de verdachte erbij en gaan [medeverdachte 1] en hij om de aangever heen staan. Hierdoor komt de aangever tegen een zitbankje en met zijn rug tegen het raam van de metro te staan. Zowel de verdachte als de [medeverdachte 1] vertonen intimiderend gedrag richting de aangever en gaan de confrontatie met hem aan. De [medeverdachte 1] geeft de aangever vervolgens opnieuw een duw. Dan ontstaat er een woordenwisseling en een worsteling, waarbij er over en weer aan elkaar wordt getrokken en geduwd. Pas na het ontstaan van de worsteling, grijpt de aangever naar zijn heup en pakt hij het mes. Dat is tevens het (eerste) moment waarop de verdachte het mes bij de aangever heeft gezien. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en de [medeverdachte 1] degenen zijn geweest die de confrontatie met de aangever bewust hebben opgezocht. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door de ter terechtzitting door de verdachte afgelegde verklaring dat hij door de aangever intimiderend werd aangekeken en hem hierop wilde aanspreken. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een noodweersituatie.
Evenmin volgt de rechtbank het verweer van de verdediging dat sprake was van een noodweersituatie op het moment dat de aangever de metro werd uitgeduwd en hij naar zijn tasje zou hebben gegrepen. Nog daargelaten de vraag of het grijpen naar een tasje een dreiging met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding oplevert, is op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden dat de aangever naar zijn tasje greep, met daarin mogelijk nog een wapen. De verdachte is de enige die dit verklaart. Medeverdachten verklaren dit niet en op de beelden is het ook niet te zien.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Conclusie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover het beroep op noodweer niet zou slagen, de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. De verdachte is niet strafbaar en moet om die reden worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Beoordeling
Zoals de rechtbank hiervoor onder paragraaf 5.1.2. heeft overwogen, is geen sprake geweest van een noodweersituatie. Het beroep op noodweerexces kan om die reden niet slagen. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Allereerst heeft de toen zeventienjarige verdachte zich op 7 oktober 2023 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Het slachtoffer is uit de metro getrokken en op het perron ten val gekomen. Vervolgens is het slachtoffer meermalen met kracht tegen het hoofd en lichaam getrapt. Daarbij heeft de verdachte de tas van het slachtoffer weggenomen. Na een doorzoeking in de woning van de verdachte is een omgebouwd vuurwapen aangetroffen. De verdachte heeft zich hiermee tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd vuurwapen.
Ongeveer een jaar later, op 17 oktober 2024, heeft de toen achttienjarige verdachte zich opnieuw samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld, ditmaal van een fatbike. De slachtoffers zijn, terwijl zij op een fatbike fietsten, door de verdachten naar de kant gedrukt. Vervolgens heeft een medeverdachte een mes aan de slachtoffers getoond en tegen hun lichaam gedrukt. Voordat de verdachten met de fatbike van het slachtoffer wegfietsten, werden de slachtoffers gedwongen hun ID-bewijzen te laten zien. Van de ID-bewijzen en van de slachtoffers zelf zijn foto’s gemaakt. De slachtoffers werd gezegd niet naar de politie te gaan, omdat er anders jongens op hen zouden worden afgestuurd. Op het moment dat de politie op 1 november 2024 de verdachte buiten heterdaad wil aanhouden, rent de verdachte weg en springt in een sloot. In de sloot heeft hij de inhoud van zijn tas leeg gegooid. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat de verdachte een vuurwapen met (bijbehorende) munitie voorhanden had en in de sloot heeft achtergelaten.
Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze ook na langere tijd nog veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Slachtoffers hebben vaak voor langere tijd gevoelens van onveiligheid wanneer zij buiten zijn, zoals ook blijkt uit de ter zitting gegeven toelichting op de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen. Ook leveren dit soort feiten, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid en angst op in de maatschappij. De verdachte heeft dit met zijn handelen veroorzaakt. Daarnaast dient streng te worden opgetreden tegen het bezit van (vuur)wapens. Steeds vaker wordt gezien dat jongeren gewapend over straat gaan en in voorkomende gevallen hun wapens ook gebruiken, met alle gevolgen van dien.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het bezit van een steekwapen en voor winkeldiefstal.
Rapportage en verklaring van deskundigen op de terechtzitting
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering), schrijft in het rapport van 5 februari 2025 dat er zorgen bestaan over het sociaal netwerk van de verdachte. Er is mogelijk sprake van een (deels) pro-criminele houding. Er is onduidelijkheid over het psychosociaal functioneren van de verdachte en de reclassering acht het wenselijk dat hierop meer zicht wordt verkregen door het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek. De kans op recidive kan niet worden ingeschat. Het is zorgelijk dat de verdachte sinds november 2023 begeleid wordt door de jeugdreclassering en dat hij toch weer in beeld is gekomen bij politie en justitie. Gezien de enigszins gebrekkige handelingsvaardigheden van de verdachte en omdat er nog pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden zijn, adviseert de reclassering om in de zaak met parketnummer 10/348913-24 het jeugdstrafrecht toe te passen.
De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
meewerkt aan begeleiding door de jeugdreclassering;
meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering;
zich houdt aan een contactverbod met slachtoffers en medeverdachten;
zich houdt aan een locatiegebod, inhoudende dat hij op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres [adres]. Daarbij heeft hij een aaneengesloten blok van 12 respectievelijk 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby's, school, werk, behandeling), zoals met de Gecertificeerde Instelling wordt afgesproken. Het locatiegebod zal worden gecontroleerd door middel van elektronische monitoring;
een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk heeft.
Op de zitting heeft de deskundige, [naam], werkzaam als jeugdreclasseerder bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR) verklaard dat zij de verdachte al een lange tijd begeleidt. Sinds drie weken is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. De verdachte komt op tijd thuis, maar het opladen van de enkelband kan beter. Ook lukt het hem niet altijd om op tijd op school aanwezig te zijn. Behandeling van de verdachte door de Waag is niet langer mogelijk. De Waag heeft aan de verdachte laten weten dat zij weinig intrinsieke motivatie bij hem zien en dat het aantal delicten niet afneemt. Betrokkenheid van een soortgelijke instantie, zoals Fivoor, is nodig om meer zicht te krijgen op de persoonlijkheid van de verdachte en om te bezien welke begeleiding of behandeling hij nodig heeft. Het zou goed zijn als bij de verdachte een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen. De door de reclassering geadviseerde voorwaarden zijn passend. Ook de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraffen is passend, omdat de verdachte gerecidiveerd is.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de in zaak met parketnummer 10/348913-24 bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportage en het ter zitting gegeven advies en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Net als de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie die de duur van het voorarrest overstijgt niet wenselijk. De verdachte is sinds drie weken geschorst uit de voorlopige hechtenis en er lijkt sprake van een prille positieve ontwikkeling. De verdachte lijkt gemotiveerd om zijn leven te beteren. De rechtbank vindt het wel zorgwekkend dat de verdachte meerdere ernstige strafbare feiten heeft gepleegd waarbij geweld of de dreiging daarmee niet werd geschuwd. Daarnaast heeft de verdachte twee keer de beschikking gehad over een vuurwapen. Ook baart de schoolgang van de verdachte de rechtbank zorgen. Gelet op de problematiek van de verdachte acht de rechtbank structuur en duidelijk kaders noodzakelijk om de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden en het recidiverisico te verkleinen. De rechtbank zal gelet daarop en gezien de adviezen van de (jeugd)reclassering een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor oplegging van een locatieverbod aan de verdachte.
Alles afwegend acht de rechtbank passend en geboden een jeugddetentie voor de duur van 250 dagen, waarvan 126 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden.
8. Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregelen
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/348913-24 onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.222,32 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/348913-24 onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt primair, vanwege de bepleite vrijspraak, om de vorderingen van de benadeelde partijen geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de verdediging om de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Op de overgelegde bon staat vermeld dat de gemeente Rotterdam heeft betaald voor de fatbike. Niet staat vast dat de fatbike juridisch eigendom is van de benadeelde partij en dat er daadwerkelijk schade is geleden. Bovendien is onduidelijk of de fatbike was verzekerd en de verzekering dus mogelijk de schade heeft vergoed. Daarnaast is geen correctie toegepast in verband met de dagwaarde van de fatbike.
De benadeelde partij dient ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zover deze de kosten van het openbaar vervoer betreft, nu het eigendom van de fatbike niet vaststaat en daarom evenmin dat de schade het rechtstreeks gevolg van de diefstal is.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de verdediging het toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag van € 500,- per benadeelde partij en om de benadeelde partijen in het overige deel van de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de [benadeelde partij 1] door het onder parketnummer 10/348913-24 onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De aanschafkosten van de gestolen fatbike zijn door de benadeelde partij onderbouwd met een bon. Daarop staan de achternaam, de postcode en het huisnummer van de benadeelde partij vermeld. Deze kosten ter hoogte van € 1.099,- zullen daarom als onvoldoende betwist worden toegewezen.
De kosten ter zake van de aanschaf van een ov-abonnement zijn onvoldoende onderbouwd. Weliswaar staat vast dat de fatbike door de verdachte en zijn mededaders is weggenomen, maar een toelichting op bijvoorbeeld de hoogte van de verschillende abonnementskosten en de noodzakelijke reisbewegingen van de benadeelde partij ontbreekt. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] door het onder parketnummer 10/348913-24 onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Namens de benadeelde partijen is ter zitting toegelicht dat de impact van het bewezen verklaarde strafbare feit groot is. De benadeelde partijen durven niet naar buiten en zijn bang voor represailles, omdat er tijdens de beroving foto’s van hun ID-bewijzen en van henzelf zijn gemaakt. Ook durven de benadeelde partijen niet naar hun werk, stage en school. Bij de beroving is een mes aan de benadeelde partijen getoond en tegen hun lichaam gedrukt. Als gevolg van de beroving ervaren de benadeelde partijen psychische klachten en daarvoor hebben zij psychologische hulp ingeschakeld. De aard en de ernst van de normschending brengt met zich dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon wordt aangenomen. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,- per benadeelde partij. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Zij kunnen dit deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente
De [benadeelde partij 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024.
Nu de vordering van de [benadeelde partij 1] (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Ook de [benadeelde partij 2] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024.
Nu de vordering van de [benadeelde partij 2] (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 2.099,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
De verdachte moet de [benadeelde partij 2] een schadevergoeding betalen van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Vorderingen tenuitvoerlegging
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 30 september 2021 van de kantonrechter in deze rechtbank met parketnummer 10/159711-21 is de verdachte ter zake van handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie veroordeeld voor zover van belang tot een geheel voorwaardelijke taakstaf, bestaande uit een werkstraf van 30 uren, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 15 oktober 2021.
Bij vonnis van 25 april 2024 van de kantonrechter in deze rechtbank met parketnummer 10/065981-23 is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 4c lid 1 van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld voor zover van belang tot een geheel voorwaardelijke taakstaf, bestaande uit een werkstraf van 40 uren, met een proeftijd van 1 jaar. De proeftijd is ingegaan op 9 mei 2024.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraffen dienen te worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf in de zaak met parketnummer 10/159711-21 dient te worden afgewezen. Het is disproportioneel om drie-en-een-half jaar na de uitspraak nog de tenuitvoerlegging daarvan te bevelen. Op het moment van het overtreden van de algemene voorwaarde was de proeftijd al bijna afgelopen. Ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf in de zaak met parketnummer 10/065981-23 verzoekt de verdediging primair afwijzing van de tenuitvoerlegging omdat deze veroordeling een andersoortig feit betreft. Subsidiair verzoekt de verdediging om de proeftijd te verlengen.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten in de zaak met parketnummer 10/263758-23 zijn na het wijzen van het vonnis met parketnummer 10/159711-21 en voor het einde van de aan die voorwaardelijke straf verbonden proeftijd gepleegd.
De hierboven bewezen verklaarde feiten in de zaak met parketnummer 10/348913-24 zijn na het wijzen van het vonnis met parketnummer 10/065981-23 en voor het einde van de aan die voorwaardelijke straf verbonden proeftijd gepleegd.
Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij die vonnissen aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straffen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/169615-24 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/263758-23 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/348913-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 250 (tweehonderdvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 126 (honderdzesentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zijn medewerking zal verlenen aan diagnostiek in de vorm van een persoonlijkheidsonderzoek en zich overeenkomstig de daaruit voortvloeiende adviezen zal laten behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk;
- zich zal houden aan een avondklok voor de maximale duur van 6 (zes) maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Deze avondklok houdt in dat de veroordeelde dagelijks om 19:00 uur thuis zal zijn op het adres Riekvoorde 4, 3204 SJ, in Spijkenisse en thuis zal blijven tot de volgende ochtend 07:00 uur. Deze tijdstippen van de avondklok kunnen worden gewijzigd door de jeugdreclassering, in die zin dat de veroordeelde in dat geval ’s avonds later thuis mag komen en ’s ochtends eerder van huis mag;
- zich ter controle van de avondklok onder elektronisch toezicht zal laten stellen voor de
maximale duur van zes maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering dit noodzakelijk
acht;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten: [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum 2] 2005, [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum 3] 2007, [medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum 4] 2005, [medeverdachte 4], geboren op [geboortedatum 5] 2007 en met de aangevers: [aangever 1], geboren op [geboortedatum 6] 2008, [aangever 2], geboren op [geboortedatum 7] 2008 en [aangever 3], geboren op [geboortedatum 8] 2009;
Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde
bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking
verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder
begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak
en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op de bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissingen geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 2.099,- (zegge: tweeduizend negenennegentig euro), bestaande uit € 1.099,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen € 2.099,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend negenennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen € 1.000,- (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 2], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van 30 september 2021 in de zaak met parketnummer 10/159711-21;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van 25 april 2024 in de zaak met parketnummer 10/065981-23;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Benaissa, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.L. Pöll en D.E. van Hout, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2025.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/263758-23
Feit 1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2023 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam en/of te Rhoon, gemeente Albrandswaard, in elk geval in Nederland, op de Viaductweg, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas (merk Banlieu) met hierin onder meer een bankpas (Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer]) en/of een portemonnee en/of een ketting (met hanger nummer [nummer]) en/of een mobiele telefoon (merk/type Samsung Galaxy S5), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door meermalen, althans
eenmaal (telkens) (met kracht) die [slachtoffer 1]
- ( terwijl hij zich in een rijdende metro bevond) vast te pakken en/of
- te slaan op de (linkerkant) van het gezicht en/of
- met een nekklem vast te pakken en/of vast te houden en/of
- te slaan en/of te stompen in de buik en/of
- ( aangekomen bij metrostation Rhoon) uit de metro te trekken en/of (vervolgens)
- ( terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2023 te Hoogvliet en/of te Rhoon, gemeente Albrandswaard, in elk geval in Nederland openlijk, te weten, in een rijdend(e) metro(stel) (vanaf metrostation Tussenwater) en/of op de Viaductweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht)
- ( terwijl hij zich in een rijdende metro bevond) vast te pakken en/of
- te slaan op de (linkerkant) van het gezicht en/of
- met een nekklem vast te pakken en/of vast te houden en/of
- te slaan en/of te stompen in de buik en/of
- ( aangekomen bij metrostation Rhoon) uit de metro te trekken en/of (vervolgens)
- ( terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen;
Feit 2.
hij op of omstreeks 10 oktober 2023 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22lr, voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 10/348913-24
Feit 1.
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Rotterdam, op/aan/nabij de openbare weg, te weten op/aan/nabij het Ahoypad en/of Zuiderpark tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] aan de kant te drukken en/of tot stoppen te dwingen en/of
- die [slachtoffer 3] vast te pakken en/of
- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] te drukken en/of
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te drukken en/of
- dreigend de woorden "stap af" te zeggen en/of
- een foto van de id-kaarten van die [slachtoffer 2] en/of van die [slachtoffer 3] te maken en/of
- dreigend de woorden '"Als je naar de politie gaat dan stuur ik jongens op je af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, te zeggen en/of
- ( vervolgens) weg te rijden op de fatbike van die [slachtoffer 2];
Feit 2.
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een (omgebouwd) (gas)pistool, van het merk Blow, type TR92, kaliber .380 (9 mm Br/kort)
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 Categorie III van die wet, te weten 13 kogelpatronen, kaliber .380 auto (9mm kort) voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 10/169615-24
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard openlijk, te weten, op/aan de Lenteakker, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen - een persoon, te weten [slachtoffer 4] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), door die [slachtoffer 4] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) meermalen, althans eenmaal te duwen en/of te slaan tegen het lichaam, althans in de richting van het lichaam;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] meermalen, althans eenmaal (telkens)(met kracht) te slaan en/of te duwen tegen/op het lichaam.