RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2025 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6403
(gemachtigde: mr. B. Özates),
en
(gemachtigde: mr. D. Gogar).
Verzoeker en zijn partner (een gemeenschapsonderdaan) ontvingen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Het college heeft de bijstandsuitkering van verzoeker verlaagd naar de norm voor een alleenstaande, omdat zijn partner volgens het college geen geldige verblijfstitel meer heeft. Het college heeft navraag gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over het verblijfsrecht van verzoekers partner, maar heeft daarbij nagelaten om de IND te informeren over de arbeidsovereenkomst en loonstroken van de partner. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 heeft het college bepaald dat verzoeker vanaf 1 juli 2025 een bijstandsuitkering krijgt naar de norm voor een alleenstaande. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en mr. W. Breure (namens het college).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoeker en zijn partner ( [naam partner] ) ontvingen samen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Volgens het college heeft verzoekers partner geen recht meer op een bijstandsuitkering, omdat zij geen geldige verblijfstitel meer heeft. Dit is de reden dat verzoeker vanaf 1 juli 2025 een bijstandsuitkering krijgt naar de norm voor een alleenstaande. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij een uitkering krijgt naar de norm voor gehuwden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. Een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden bedraagt € 1.955,80 per maand. Verzoeker krijgt door het bestreden besluit nog maar een uitkering van € 1.369,06 per maand. Verzoekers partner heeft de Bulgaarse nationaliteit en werkt sinds februari 2025 als oproepkracht. Uit loonstroken van mei en juni 2025 blijkt dat zij inkomsten had van respectievelijk € 387,90 en € 380,48. Met deze bedragen komen verzoeker en zijn partner niet aan het sociaal minimum dat geldt voor gehuwden. Zij kwamen in mei en juni 2025 zo’n € 200,- te kort. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe?
7. Verzoekers partner heeft de Bulgaarse nationaliteit en is daarmee gemeenschapsonderdaan. Het is de primaire verantwoordelijkheid van de minister voor Asiel en Migratie (minister) om te beoordelen of gemeenschapsonderdanen rechtmatig in Nederland verblijven. Bij de beoordeling van het recht op bijstand van een gemeenschapsonderdaan, ligt het dan ook op de weg van het college om in overleg met de minister te onderzoeken of een gemeenschapsonderdaan aan het Unierecht een verblijfsrecht kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft. Dit contact loopt via de IND. Als de IND heeft vastgesteld dat een gemeenschapsonderdaan geen rechtmatig verblijf meer heeft, dan moet het college uitgaan van het ontbreken van het rechtmatige verblijf. Dit is alleen anders als na deze eerdere vaststelling sprake is van een wijziging van de omstandigheden. In dat geval moet het college hierover in overleg treden met de IND.
8. De partner van verzoeker heeft bij de rechtbank een procedure gevoerd tegen de minister van Asiel en Migratie over haar verblijfsrecht. De rechtbank heeft op 31 oktober 2024 geoordeeld dat verzoekers partner sinds medio 2021 niet rechtmatig in Nederland verblijft.
9. Het college heeft vervolgens op 26 juni 2025 navraag gedaan bij de IND over het verblijfsrecht van verzoekers partner. Volgens de IND heeft zij geen verblijfsrecht in Nederland, is aan haar meegedeeld dat zij Nederland binnen één maand moet verlaten en staan er geen rechtsmiddelen meer open. Ook heeft verzoekers partner volgens de IND geen nieuwe aanvraag ingediend voor toetsing aan het gemeenschapsrecht.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college over nieuwe informatie beschikte over verzoekers partner, namelijk haar arbeidsovereenkomst als oproepkracht per 1 februari 2025 en de loonstroken van mei en juni 2025. Het lag op de weg van het college om deze nieuwe informatie voor te leggen aan de IND ter beoordeling van het verblijfsrecht. De enkele omstandigheid dat verzoekers partner zelf geen verblijfsvergunning heeft aangevraagd, maakt dat niet anders. Gemeenschapsonderdanen ontlenen namelijk hun verblijfsrecht rechtstreeks van het Europees recht en hebben geen verblijfsvergunning nodig. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsrecht van verzoekers partner. Zij verwacht daarom dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Zij ziet hierin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst. Dat betekent dat verzoeker en zijn partner vanaf 1 juli 2025 weer recht hebben op een uitkering naar de norm voor gehuwden, waarbij verzoeker er wel rekening mee moet houden dat het college de inkomsten van verzoekers partner daarbij in aanmerking zal nemen. Deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar komt te vervallen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: