ECLI:NL:RBROT:2025:11434

ECLI:NL:RBROT:2025:11434, Rechtbank Rotterdam, 01-10-2025, ROT 24/9096

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 01-10-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer ROT 24/9096
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0047436

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), beroep ongegrond, geen recht op het forfaitaire bedrag van € 30.000-.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

Dienst Toeslagen, verweerder

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/9096

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),

en

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,- (de Catshuisregeling). Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

Met een besluit van 18 augustus 2022 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres op basis van de zogenoemde lichte toets niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-.

Met een besluit van 5 september 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder en mr. T. van Eijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd over 2011 en 2012. Zij heeft zich bij verweerder gemeld voor een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wht.

4. Verweerder heeft – samengevat – aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres weliswaar kinderopvangtoeslag heeft moeten terugbetalen, maar dat hieraan reguliere wijzigingen ten grondslag hebben gelegen.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep omdat verweerder inmiddels – op 11 december 2023 – een afwijzend besluit heeft genomen naar aanleiding van de integrale beoordeling. Volgens verweerder is het beroep daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder naar aanleiding van de integrale beoordeling. De rechtbank is niet aan dit besluit gebonden. Niet kan worden uitgesloten dat verweerder fouten heeft gemaakt in de besluitvorming over de lichte toets en dat de conclusie moet worden getrokken dat eiseres in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Eiseres heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank procesbelang in deze procedure.

6. Aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel zoals bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, van de Wht, kent verweerder ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000,-. Bij deze lichte toets worden niet alle feiten en omstandigheden onderzocht, omdat anders een snelle toekenning van het forfaitaire bedrag zou worden belemmerd.

7. Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat zijzelf de kinderopvangtoeslag per 6 december 2011 heeft stopgezet. Deze beroepsgrond slaagt omdat het in werkelijkheid een ambtshalve stopzetting betrof, wat verweerder ook heeft erkend. Verweerder heeft toegelicht dat de stopzetting is doorgevoerd naar aanleiding van informatie die verweerder had ontvangen uit de gemeentelijke basisadministratie. Daaruit bleek dat eiseres per 6 december 2011 was ‘vertrokken onbekend waarheen’. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er, gelet op deze informatie, in het kader van de lichte toets geen aanleiding bestond voor de conclusie dat destijds sprake is geweest van vooringenomen handelen. Gelet hierop is aannemelijk dat eiseres door de genoemde fout in het bestreden besluit niet is benadeeld. De rechtbank zal dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren.

8. Eiseres heeft verder betoogd dat verweerder bij zijn besluitvorming over de lichte toets heeft miskend dat de kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2011 is verlaagd enkel op basis van gegevens die afkomstig waren van de kinderopvanginstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder mocht in beginsel uitgaan van de informatie die de kinderopvanginstelling had verstrekt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in het kader van de lichte toets nader onderzoek had moeten doen.

9. Eiseres’ beroepsgrond dat zij ten onrechte niet is gehoord op haar bezwaar, slaagt niet. Van horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Nu verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit al een besluit had genomen naar aanleiding van de integrale beoordeling (en die beoordeling uitgebreider is dan de lichte toets), is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in dit geval redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

10. Eiseres heeft betoogd dat geen sprake is van equality of arms als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu zij haar volledige persoonlijke dossier nog niet heeft ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder is slechts verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Verweerder heeft de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het geding gebracht. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat relevante stukken ontbreken of dat het beginsel van equality of arms is geschonden.

11. Voor zover eiseres ook als beroepsgrond heeft willen aanvoeren dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten haar in bezwaar de gedingstukken toe te sturen, slaagt deze beroepsgrond niet. Omdat verweerder van horen heeft mogen afzien, was verweerder niet verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder in deze beroepsprocedure de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

13. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar moet vergoeden.

14. De rechtbank zal verweerder om dezelfde reden veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het instellen van het beroep. Deze vergoeding wordt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt). De waarde van 1 punt bedraagt € 907,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Veling

Griffier

  • mr. L.A. van der Velden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?