RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11702997 RR FORM 25-30
datum uitspraak: 10 oktober 2025
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: Rotterdam,
eiseres,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Schiedam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het aanvraagformulier van [eiseres] dat de rechtbank op 15 mei 2025 heeft ontvangen, met bijlagen;
het reactieformulier van [gedaagde], met bijlagen;
de tijdens de zitting door [eiseres] overgelegde stukken.
Op 11 september 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiseres] en [naam 1] (echtgenoot);
[gedaagde] en [naam 2] (zoon).
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiseres] heeft in 2012 en 2013 geld geleend aan [gedaagde]. Ook heeft [eiseres] een computer voor de zoon van [gedaagde] gekocht. [gedaagde] heeft aan [eiseres] beloofd om het geleende geld en de aankoopprijs van de computer zo snel als mogelijk terug te betalen. Ondanks dat
[eiseres] vanaf 2018 verschillende keren aan [gedaagde] heeft verzocht om het geleende geld terug te betalen, heeft [gedaagde] dit niet gedaan. Volgens [eiseres] moet [gedaagde] nog
€ 1.286,62 aan haar terugbetalen. [eiseres] eist daarom in deze procedure betaling van dit bedrag met rente.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres]. [gedaagde] stelt dat zij het geld op dezelfde informele manier aan [eiseres] heeft terugbetaald als dat [gedaagde] het van [eiseres] heeft ontvangen. [gedaagde] heeft het idee dat [eiseres] deze procedure is gestart, omdat [gedaagde] niet meer in staat was om haar eicellen aan [eiseres] te doneren en vanwege het geschil dat [gedaagde] heeft met de echtgenoot van [eiseres] over de woning die zij van hem huurt.
Conclusie
De eis van [eiseres] wordt grotendeels toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het restantbedrag van de geldlening met rente aan [eiseres] moet terugbetalen.
[gedaagde] moet het geleende geld terugbetalen
[gedaagde] moet het geleende bedrag van € 1.286,62 aan [eiseres] terugbetalen. Er komt namelijk niet vast te staan dat [gedaagde] de volledige geldlening aan [eiseres] heeft terugbetaald.
[eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat de lening op (informele) wijze door [gedaagde] is terugbetaald. [eiseres] voert aan dat zij naast de betalingen vermeld in haar overzicht van
24 april 2025 geen andere betalingen heeft ontvangen van [gedaagde]. Ook niet op informele wijze. Vanwege deze gemotiveerde betwisting, ligt het op de weg van [gedaagde] om de door haar gestelde (informele) betalingen te bewijzen. Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen, omdat [gedaagde] tijdens de zitting laat weten dat zij geen bewijs kan leveren van de betalingen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen, omdat tussen partijen geen ander rentepercentage is overeengekomen. [gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Als dag van verzuim wordt 31 maart 2019 gehanteerd. Dit correspondeert met de uiterste betaaldatum die [eiseres] in haar mail van 4 maart 2019 aan [gedaagde] vermeld. Uit niets blijkt dat [eiseres] eerder aan [gedaagde] een uiterste betaaldatum kenbaar heeft gemaakt voor het terugbetalen van de geldlening.
[gedaagde] moet proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij (grotendeels) ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit). De regelrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 226,00 aan griffierecht. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1.286,62 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 31 maart 2019 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 226,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
572