[eiser] , uit [plaats] , eiser,
gemachtigde: L. Berkes,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: M. Doganer.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 22 september 2023.
Verweerder heeft aan eiser op 8 juni 2023 een dwangbevel (het dwangbevel) uitgevaardigd tot invordering van de naheffingsaanslag en de aanmaningskosten en daarbij € 46,- dwangbevelkosten in rekening gebracht.
In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanmaningskosten en de dwangbevelkosten laten vervallen en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, voor zover het de afwijzing van de proceskostenvergoeding betreft.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen, bijgestaan door [persoon A] . Eiser en de gemachtigde van eiser zijn zonder bericht niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de uitnodiging voor de behandeling ter zitting op 17 oktober 2024 aangetekend aan de gemachtigde van eiser is verzonden. De aangetekend verzonden brief van 17 oktober 2024 is op 7 november 2024 aan de rechtbank geretourneerd door PostNL met de mededeling dat deze niet is afgehaald bij het PostNL punt. Het niet afhalen van een aangetekend, aan hem geadresseerd poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Bij brief van 8 november 2024 is de brief van 17 oktober 2024, gelet op het bepaalde in artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, per gewone post nogmaals verzonden naar het adres dat op het briefpapier staat waarop de gemachtigde van eiser het beroepschrift heeft ingediend. Deze brief van 8 november 2024 is door de rechtbank niet retour ontvangen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Verweerder heeft op 3 december 2022 aan eiser een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met [vorderingsnummer] opgelegd van in totaal € 69,10.
3. Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag van 3 december 2022 op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen gronden van bezwaar zijn ingediend. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dat besluit.
4. Verweerder heeft op 25 april 2023 een kosteloze betalingsherinnering naar eiser gestuurd.
Verweerder heeft op 16 mei 2023 een aanmaning gestuurd, waarbij aanmaningskosten in rekening zijn gebracht van € 8,-.
Verweerder heeft eiser op 8 juni 2023 het dwangbevel gestuurd om de naheffingsaanslag en de aanmaningskosten in te vorderen, waarbij ook € 46,- dwangbevelkosten in rekening zijn gebracht.
5. Verweerder heeft op 27 juni 2023 een bezwaar van eiser ontvangen waarin eiser bezwaar maakt tegen de kosten die hem bij het dwangbevel van 8 juni 2023 zijn opgelegd.
6. In de uitspraak op bezwaar van 22 september 2023 heeft verweerder verklaard de aanmaningskosten en de dwangbevelkosten uit coulance te laten vervallen en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Het geschil
7. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de gevraagde proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Volgens eiser heeft verweerder de aanmaningskosten en de kosten voor het dwangbevel namelijk laten vervallen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het bezwaar van eiser richtte zich specifiek op de onrechtmatigheid van de invorderingskosten, wat de grondslag vormde voor de heroverweging van verweerder. Verweerder heeft daarom niet uit coulance, maar op basis van het bezwaar, de invorderingskosten laten vervallen. Verweerder meent volgens eiser ten onrechte dat hij op basis van het besluit op bezwaar van 21 maart 2023 invorderingsmaatregelen heeft kunnen treffen, omdat het ingestelde beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar nog voorlag bij de rechter.
Beoordeling door de rechtbank
8. In geschil is of verweerder terecht geen proceskostenvergoeding voor bezwaar heeft toegekend.
9. De rechtbank stelt voorop dat zij het met eiser eens is dat het label dat een bestuursorgaan aan zijn beslissing geeft, bijvoorbeeld ‘coulance’, geen doorslaggevende betekenis heeft voor de vraag of het bestuursorgaan de proceskosten die door belanghebbende in bezwaar zijn gemaakt moet vergoeden. Het gaat erom of het bestreden besluit wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Alleen dan is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding in bezwaar. Dit is bepaald in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vertaald naar deze zaak en gelet op eisers stelling betekent dat, dat de rechtbank moet beoordelen of de aanmanings- en dwangbevelkosten terecht zijn opgelegd. Daarover overweegt zij als volgt.
10. Eiser stelt alleen dat verweerder de aanmanings- en dwangbevelkosten heeft laten vervallen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Deze stelling slaagt niet. Door de uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 is het uitstel van betaling vervallen en de betalingsverplichting van eiser herleefd. Dat eisers beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar nog voorlag bij de rechter doet daar niet aan af. Verweerder mocht daarom invorderingshandelingen verrichten en – omdat eiser de naheffingsaanslag niet tijdig heeft betaald – zijn de invorderingskosten terecht door verweerder opgelegd. Dat brengt met zich dat verweerder in de uitspraak op bezwaar van 22 september 2023 de aanmaningskosten en de dwangbevelkosten (de invorderingskosten) niet heeft laten vervallen vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft terecht gesteld dat hij de invorderingskosten uit coulance heeft laten vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht de proceskosten in bezwaar niet vergoed.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.