RECHTBANK Rotterdam
Zaaknummer: C/10/707310 / KG ZA 25-965
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.S. de Rijke,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 29 september 2025, met producties 1 tot en met 29;
de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025.
2. De beoordeling
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde] . [gedaagde] is namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij de oproeping van [gedaagde] in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels in acht zijn genomen.
De vordering van [eiser] komt de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt om die reden toegewezen, met inachtneming van het volgende. [eiser] vordert een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoel in artikel 6:119a lid 1 BW. Dit artikel biedt echter geen grondslag voor het toekennen van wettelijke handelsrente over buitengerechtelijke kosten. Slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal worden toegewezen.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 715,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.874,21
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
€ 4.824,98 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 1 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 678,22 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 1 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 3.781,01 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 6 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 2.921,29 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 13 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 219,32 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 15 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 4.002,08 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 20 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 3.710,84 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 27 juni 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 10.121,68 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 4 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 10.000,42 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 11 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 13.368,78 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 18 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 13.735,66 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 25 juli 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 12.955,01 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 1 augustus 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 17.156,64 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 8 augustus 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 6.907,94 te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW vanaf 15 augustus 2025 tot en met de dag van algehele betaling;
€ 8.834,54 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van het vonnis tot en met de dag van algehele betaling;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de proceskosten van € 7.874,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
3304/1694