RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707798 / JE RK 25-2045
Datum uitspraak: 8 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. De kinderrechter heeft de zaak gelijktijdig behandeld met de leerplichtzaken van de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij waren aanwezig:
de ouders, bijgestaan door een tolk;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] , bijgestaan door een tolk;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] ;
een leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam, [naam 3] ;
een medewerker van Childrens Zone (wijkteam), [naam 4] ;
de officier van justitie.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn, heeft de
kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 5] , tolk in de Bulgaarse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook voorafgaande aan de zitting naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter, met bijstand van een tolk in de Bulgaarse taal, [naam 6] . De kinderrechter heeft de tolk beëdigd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. Tijdens de zitting hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nogmaals hun mening kunnen geven.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij de ouders.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad acht een ondertoezichtstelling nodig omdat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
Ter zitting heeft de Raad het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn zorgen over het langdurig schoolverzuim van de minderjarigen en het ontbreken van een dagbesteding. De ouders vinden het lastig om de minderjarigen te stimuleren om naar school te gaan. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedingsomgeving. De woning is te klein voor het hele gezin. Ook zijn er regelmatig politiecontacten, vanwege conflicten met omwonenden. Veilig Thuis was betrokken omdat er signalen waren van huiselijk geweld door de vader, waar de minderjarigen getuige van waren. De Raad vindt het daarom van belang dat een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken.
4. De standpunten
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund, voor zover het [minderjarige 3] en [minderjarige 4] betreft.
Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht de GI een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk. Toezicht door de Jeugdreclassering - in het kader van de Leerplichtzaken - biedt gezien de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voldoende waarborg om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden. De Jeugdreclassering kan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulp bieden bij het vormgeven van hun toekomst, zoals inzicht geven bij ondoorzichtige regels en bij het vinden van een passende vrijetijdsbesteding. De beheersing van de Nederlandse taal is ook een aandachtspunt. Van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt wel verwacht dat zij meewerken met de Jeugdreclassering, aangezien zij leerplichtig zijn.
De ouders hebben kenbaar gemaakt dat zij niet instemmen met het verzoek van de Raad. Beiden willen dat de minderjarigen naar school gaan en zij proberen hen zo goed als het kan te stimuleren. De ziektekostenverzekering is nu voor alle gezinsleden geregeld en de ouders zijn op zoek naar een grotere woning. Binnenshuis zijn er geen problemen. Wel zijn er vanaf het moment dat het gezin in de huidige woning verblijft, problemen met de buurvrouw en de politie. De buurvrouw heeft er last van als de buurtkinderen met elkaar spelen en [minderjarige 3] is bang van haar. [minderjarige 3] heeft ook stress op school.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben te kennen gegeven dat zij begrijpen wat Jeugdreclasseringscontact inhoudt en dat zij bereid zijn om zich aan de voorwaarden te houden.
5. De informatie vanuit de hulpverlening
De leerplichtambtenaar heeft het volgende naar voren gebracht.
[minderjarige 1] is ingeschreven bij het [naam school] in Schiedam. De school heeft [minderjarige 1] twee keer uitgenodigd voor een gesprek. [minderjarige 1] is op beide afspraken niet verschenen.
Leerplicht heeft [minderjarige 2] geadviseerd om zich bij vijf scholen in te schrijven. De ouders zijn verantwoordelijk om hem daarbij te helpen. Het is niet gelukt en [minderjarige 2] staat al geruime tijd niet ingeschreven voor een opleiding. De insteek is dat [minderjarige 2] zich inschrijft voor volwassenenonderwijs. Op het moment dat hij zestien jaar wordt, kan hij zich ook voor een MBO-opleiding inschrijven.
[minderjarige 3] is van de vijftien schooldagen negen dagen afwezig geweest. De school kan de ouders niet bereiken.
De medewerker van Childrens Zone heeft meegedeeld dat er één afspraak heeft plaatsgehad. De hulpverlening is verder (nog) niet van de grond gekomen.
6. De beoordeling
Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en over de thuissituatie. [minderjarige 1] gaat sinds oktober 2024 niet meer naar school. Hierdoor is er sprake van leerachterstanden. Ook bij [minderjarige 2] is er sprake van grote leerachterstanden. Ondanks de betrokkenheid van Leerplicht, staat [minderjarige 2] al geruime tijd niet ingeschreven voor een opleiding. Het is positief dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] open staan voor hulp en begeleiding bij hun schoolgang en dat zij hun aandeel in het verzuim erkennen.
De kinderrechter legt in de Leerplichtzaken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een Jeugdreclasseringsmaatregel op. De Jeugdreclassering kan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulp en begeleiding bieden bij hun schoolgang en bij het vinden van een passende vrijetijdsbesteding. Nu ter zitting is gebleken dat deze maatregel naar verwachting toereikend zal zijn om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden, ziet de kinderrechter geen meerwaarde in een maatregel van ondertoezichtstelling. Van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt wel verwacht dat zij stipt meewerken met de Jeugdreclassering. De Jeugdreclassering dient ook aandacht te besteden aan de taalbarrière waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegenaan lopen.
Uit voorgaande volgt dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal gelet op het vorenstaande het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwijzen.
Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4]
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 BW, is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt ernstig bedreigd. Sinds februari 2024 is [minderjarige 3] nauwelijks naar school geweest, waardoor hij grote leerachterstanden heeft, vooral op het gebied van de Nederlandse taal. Hoewel [minderjarige 3] in staat is om zelf insuline te prikken, vormt zijn suikerziekte en het stabiel houden daarvan ook een grote zorg. [minderjarige 4] is nog niet leerplichtig. Gelet op de voorgeschiedenis en het forse verzuim van de andere kinderen (ook van de oudste [naam 7] ) is te voorzien dat er bij [minderjarige 4] , wanneer zij naar de basisschool zal gaan, ook verzuim zal ontstaan. Daarnaast zijn er sterke vermoedens van huiselijk geweld in de thuissituatie, waarbij geschreeuwd en soms ook geduwd wordt. Het gezin woont in een (te) kleine woning en eerder waren er veel wisselingen van verblijfplek. Ook ontbreekt het aan structuur, duidelijkheid en regelmaat. De minderjarigen komen door dit alles onvoldoende toe aan hun eigen ontwikkelingstaken.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, vanwege de complexe en langdurige problematiek. De kinderrechter constateert dat beide ouders liefdevol zijn en dat zij het beste willen voor hun kinderen. Eerder (in 2024) heeft de Raad een beschermingsonderzoek afgesloten met verwijzing naar de vrijwillige hulpverlening. De ouders waren hiertoe bereid en stonden open voor hulp. Toch is hulpverlening binnen het vrijwillig kader meerdere keren onvoldoende van de grond gekomen. Het lukte de ouders niet om het schoolverzuim tegen te gaan en de zorgen namen weer toe. Nu de ouders nog niet zelfstandig in staat zijn de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] af te wenden, is op dit moment hulpverlening in het gedwongen kader, in de vorm van de inzet van een jeugdbeschermer, noodzakelijk. Het is van belang dat de hulpverlening zich richt op het doorbreken van gezinspatronen, het ondersteunen van de ouders en het voorkomen van situaties van huiselijk geweld (monitoren van de veiligheid). Ook is de inzet van de benodigde zorg en hulpverlening voor de minderjarigen belangrijk. Daarbij is het wenselijk dat er voor het gezin één aanspreekpunt komt: iemand die zowel de jeugdbescherming als de jeugdreclasseringsmaatregel kan uitvoeren. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan moet de GI veel aandacht besteden aan de samenwerking en de continuïteit van de begeleiding. Tot slot moet er aandacht zijn voor de taalbarrière waar het gezin tegenaan loopt.
De kinderrechter stelt op grond van vorenstaande [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht voor de duur van een jaar nu zij inschat dat deze termijn noodzakelijk zal zijn gelet op de in te zetten hulpverlening
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
stelt [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, met ingang van 8 oktober 2025 tot 8 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van M. de Kam als griffier, en op schrift gesteld op 5 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.