RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
Dienst Toeslagen
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8163
(gemachtigde: mr. R.E. Bogaards),
en
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met het besluit van 1 augustus 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 2 februari 2024 ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 augustus 2024.
Met het besluit van 21 mei 2025 heeft de Dienst Toeslagen aan verzoekster compensatie toegekend op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Als gevolg daarvan is ook het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht, aan verzoekster toegekend.
Naar aanleiding van het besluit van 21 mei 2025 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft bepaald dat een zitting in de verzoekschriftprocedure achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Verzoekster betoogt dat de Dienst Toeslagen in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat zij een procesbelang had ten tijde van het instellen van het beroep. Op dat moment was verzoekster namelijk nog niet erkend als gedupeerde in de toeslagenaffaire.
3. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling, omdat de Dienst Toeslagen niet aan verzoekster tegemoet is gekomen. De toekenning van compensatie na de integrale beoordeling is niet als een tegemoetkoming aan te merken, omdat voor de integrale beoordeling een ander toetsingskader geldt dan voor de eerste toets.
4. Een bestuursorgaan kan in de proceskosten worden veroordeeld als het geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000,-, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is de Dienst Toeslagen aan verzoekster tegemoetgekomen. Het bestreden besluit in de ingetrokken beroepsprocedure betreft een besluit op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wht. Met het besluit van 21 mei 2025 heeft de Dienst Toeslagen € 3.644,- compensatie aan verzoekster toegekend. Als gevolg van dat besluit is op grond van datzelfde artikel 2.7, eerste lid, van de Wht, het compensatiebedrag aangevuld tot € 30.000,-. Het besluit tot aanvulling van de compensatie tot € 30.000,- heeft de Dienst Toeslagen vastgelegd in de vooraankondiging van de integrale beoordeling van 13 maart 2025. Dat besluit behelst een wijziging van het bestreden besluit in de ingetrokken beroepsprocedure. Met dat gewijzigde besluit is de Dienst Toeslagen tegemoetgekomen aan verzoekster.
6. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). De rechtbank wijst erop dat de Dienst Toeslagen verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor tot de Dienst Toeslagen wenden.
7. Verzoekster heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af. Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 6 maart 2024. De termijn in deze zaak is geëindigd op het moment dat met de vooraankondiging van de integrale beoordeling van 13 maart 2025 aan verzoekster bekend is gemaakt dat haar compensatie tot € 30.000,- werd aangevuld. Op die datum was de redelijke termijn niet overschreden. Verzoekster heeft daarom geen recht op een schadevergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.