RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5385
(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
en
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).
Het CBR heeft aan eiser een cursus opgelegd omdat hij onder invloed van alcohol had gereden. Voordat eiser de cursus heeft voltooid, is hij voor een tweede keer aangehouden vanwege rijden onder invloed. Het CBR heeft vervolgens besloten dat eiser de cursus niet meer hoeft te volgen en heeft bepaald dat hij onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik. Eiser wil de cursus nog wel volgen. Het CBR heeft terecht besloten de cursus stop te zetten. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
1. Het CBR heeft met het besluit van 10 mei 2024 bepaald dat eiser een onderzoek moet doen naar zijn alcoholgebruik in verband met een aanhouding vanwege rijden onder invloed (op 4 mei 2024). Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat het CBR met het besluit van 16 augustus 2024 een cursus aan eiser heeft opgelegd (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, oftewel EMA).
2. Het CBR heeft met het primaire besluit van 26 mei 2025 aan eiser laten weten dat er nieuwe informatie van de politie is binnengekomen. Het CBR heeft bepaald dat eiser het onderzoek naar zijn alcoholgebruik (zoals opgelegd bij besluit van 10 mei 2024) niet meer hoeft te doen. Volgens het CBR is een cursus niet meer de juiste maatregel en krijgt eiser nog te horen welke maatregel wel geschikt is. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3. Het CBR heeft met een afzonderlijk (tweede) besluit van 26 mei 2025 bepaald dat eiser een onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik.
4. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 26 mei 2025 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het CBR heeft vervolgens onder meer:
- het besluit van 10 mei 2024 (waarbij het eerdere onderzoek naar eisers alcoholgebruik is opgelegd) in stand gelaten;
- opgemerkt dat het besluit van 16 augustus 2024 (waarbij aan eiser eerder een cursus is opgelegd) diende te worden omgezet, omdat de eerdere cursus niet langer een passende maatregel is;
- het besluit van 27 mei 2025 (de rechtbank begrijpt: het tweede besluit van 26 mei 2025, waarbij een nieuw onderzoek naar eisers alcoholgebruik is opgelegd en zijn rijbewijs is geschorst) herroepen, omdat dit besluit op onjuiste gronden berust;
- aangekondigd dat er een nieuw besluit zal volgen voor wat betreft het opleggen van een onderzoek naar eisers alcoholgebruik.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nader stuk ingediend naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank om zich uit te laten over het procesbelang.
6. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
7. Het CBR heeft van de politie een proces-verbaal gekregen over eiser, waaruit blijkt dat hij op 4 mei 2024 heeft gereden onder invloed van alcohol (910 μg/l). Het CBR heeft aan eiser een cursus opgelegd. Eiser heeft op 22 mei 2025 de eerste cursusdag gevolgd. Het CBR heeft van de politie een tweede proces-verbaal gekregen over eiser, waaruit blijkt dat hij op 10 mei 2025 heeft gereden onder invloed van alcohol (605 μg/l). Het CBR heeft eiser laten weten dat hij de cursus niet meer hoeft te volgen en heeft hem een onderzoek opgelegd naar zijn alcoholgebruik.
Waar gaat het in deze zaak om?
8. Volgens eiser bestaat er geen wettelijke grondslag om te bepalen dat eiser de cursus niet meer hoeft te volgen. Eiser is het ermee eens dat hij onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik, maar hij wil ook de aan hem opgelegde cursus volgen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De rechtbank stelt vast dat eiser onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik, omdat hij op 10 mei 2025 onder invloed van alcohol heeft gereden en hij in de afgelopen vijf jaar al eerder een onderzoek naar zijn alcoholgebruik moest ondergaan. Er is geen sprake van een omzetting van de cursus naar een onderzoek naar het alcoholgebruik. Het moeten doen van het onderzoek staat los van het besluit dat eiser de eerdere cursus niet meer hoeft te volgen.
Vervolgens komt de vraag op of het CBR heeft kunnen besluiten dat eiser de cursus niet meer hoefde te volgen. Het CBR heeft tijdens de zitting uitgelegd dat een eerder opgelegde maatregel wordt stopgezet zodra er sprake is van een nieuw feit. Op basis van dat nieuwe feit wordt vervolgens gekeken welke maatregel er opgelegd moet worden. Dit is de reden dat eiser de eerder opgelegde cursus niet meer hoeft te volgen en dat hij eerst weer onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik. Dit komt de rechtbank niet onlogisch voor. De bevoegdheid tot intrekking van de opgelegde cursus wordt geacht impliciet te volgen uit de Wegenverkeerswet. Daarbij komt dat eiser niet duidelijk heeft kunnen maken waarom hij de cursus alsnog wil volgen of welk belang hij daarbij heeft. Dit geldt helemaal nu het CBR de kosten van de cursus heeft verrekend met de kosten van het aan eiser opgelegde onderzoek, zoals blijkt uit het e-mailbericht van het CBR van 14 november 2025.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR eiser niet in de gelegenheid hoeft te stellen om de bij besluit van 16 augustus 2024 opgelegde cursus te laten volgen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.