RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11559954 VZ VERZ 25-1097
datum uitspraak: 22 augustus 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster] ,
woonplaats: [plaats 1] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A. Cav,
tegen
[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. D. Spek.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen;
het verweerschrift van [verweerster] , met bijlagen;
de brief van [verzoekster] van 29 april 2025, met bijlagen.
Op 12 juni 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [verzoekster] met haar gemachtigde en namens [verweerster] mevrouw [persoon A] en mevrouw
[persoon B] met de gemachtigde.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[verzoekster] was sinds 4 september 2023 bij [verweerster] , dat actief is in de kinderopvang, in dienst als pedagogische medewerker in opleiding. Op 4 januari 2024 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld. [verweerster] heeft haar op 23 december 2024 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat (onder andere):
Om te beginnen weigert u al vanaf het begin van uw verzuim om aan de (wettelijke) re-integratieverplichtingen te voldoen en contact met ons te onderhouden. Hiermee vertraagt/belemmert u bovendien uw herstel. U bent diverse malen op uw gedrag en handelen aangesproken en hiervoor (schriftelijk) gewaarschuwd en uw loon is opgeschort en uiteindelijk stopgezet. Dit heeft geen enkel resultaat gehad of tot verbetering van aan uw zijde geleid.
Omdat u steeds óf niet reageert óf weigert passende arbeid te verrichten, hebben wij een Deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Uit dit oordeel volgt dat de werkzaamheden die wij met u hadden afgesproken (en u vervolgens weigerde), passend zijn en dat u zonder gegronde reden niet meewerkt aan uw re-integratieverplichtingen.
Vervolgens verdween u volledig van de radar en kwam er geen enkele reactie op onze diverse pogingen om met u in contact te komen. Uiteindelijk op 4 november 2024 hebben wij u daarom een brief toegezonden met het dringende verzoek tot het voldoen aan uw re-integratieverplichtingen en op het opnemen van contact en tevens laatste waarschuwing.
(…)
U heeft vervolgens ook een oproep voor het spreekuur van de bedrijfsarts ontvangen. Op het spreekuur bent u echter (wederom) niet verschenen. Pas de avond ervoor heeft u, althans de heer [naam] via uw e-mailadres, laten weten dat u niet op de afspraak zou kunnen verschijnen in verband met een behandeling. Een afspraak met de bedrijfsarts dient uiterlijk twee werkdagen van tevoren én in overleg met ons te worden verplaatst. Hier heeft u zich – zoals kenmerkend voor het hele traject – niet aan gehouden.
Overigens is het niet de eerste keer dat u een afspraak bij de bedrijfsarts mist. Vanaf het begin van uw verzuim weigert u op afspraken te verschijnen en de enkele keer dat u wel bent verschenen op het spreekuur, weigert u de bedrijfsarts van informatie te voorzien. Zelfs nadat door uw jurist is verzocht om een afspraak in te plannen bij de bedrijfsarts, weigerde u uw medewerking te verlenen. De bedrijfsarts schreef naar aanleiding van dit consult dat u alleen het gesprek wilde voeren over de aanvraag van een Second Opinion bedrijfsarts en geen consult wilde.
Voorts is ons onlangs ter ore gekomen dat u op eigen initiatief bent gestopt met de opleiding. U heeft nagelaten ons hierover per ommegaande te informeren. Sterker nog: u heeft geheel nagelaten ons hierover te informeren. Door niet aan ons te melden dat u niet langer bevoegd bent om uw functie te mogen uitoefenen, overtreedt u – en daardoor ook [verweerster] – de wet.
(…)
Wij hebben u vervolgens op donderdag 19 december jl. uitgenodigd voor een gesprek op kantoor, teneinde tekst en uitleg te geven omtrent de door ons geconstateerde zaken. U weigerde echter (wederom) om naar kantoor te komen. Per e-mail heeft u ons aangegeven hier niet toe in staat te zijn en telefonisch contact met ons op te nemen. Aangezien onze voorkeur uitging naar een persoonlijk gesprek hebben wij u – om u tegemoet te komen en in reply op de door u toegezonden e-mail – voorgesteld u op te halen en thuis te brengen en anders het gesprek via Teams te laten plaatsvinden. Ook dit werd door u geweigerd, althans u heeft niet meer gereageerd. U heeft aangegeven deze e-mail niet te hebben ontvangen, omdat u geen internet zou hebben. Daarnaast hebben wij ook uw jurist uitgenodigd om, indien u dat zou wensen, deel te nemen aan het gesprek. Uw jurist heeft vervolgens telefonisch laten weten niet aan het gesprek deel te nemen. U was dus in ieder geval op de hoogte van de Teams-uitnodiging en ons voorstel om u op te halen en thuis te brengen.
Telefonisch heeft u afgelopen donderdag 19 december 2024 aangegeven dat u van mening bent de opleiding niet op eigen initiatief te zijn gestopt. Wij hebben u in dit gesprek vervolgens nadrukkelijk de kans geboden om open kaart te spelen. In plaats van open kaart te spelen, wenste u echter geen nadere toelichting te geven.
(…)
In ons gesprek afgelopen donderdag 19 december 2024, spraken wij af een nieuw gesprek in te plannen voor vandaag c.q. 23 december 2024. Helaas bent u zonder enig tegenbericht niet verschenen. In de bevestiging van de schorsing hebben wij benadrukt – om er geen enkel misverstand over te laten ontstaan – dat mocht u om wat voor reden dan ook niet op het gesprek van vandaag c.q. 23 december 2024 verschijnen, wij dit als werkweigering beschouwen, hetgeen eveneens een dringende reden in de zin van de wet vormt.
[verzoekster] verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerster] te
veroordelen loon te betalen en, subsidiair, haar te veroordelen tot betaling van de
transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een billijke
vergoeding. [verweerster] is het hiermee niet eens. Zij voert verweer. De verzoeken worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Verloop re-integratie
Volgens [verzoekster] heeft [verweerster] na de ziekmelding en bij de re-integratie onvoldoende rekening gehouden met en begrip gehad voor haar situatie. Zij heeft in dat verband toegelicht dat zij zich niet serieus genomen voelde door de bedrijfsarts en dat zij daarom een second opinion wilde, maar dat [verweerster] daarmee ten onrechte niets heeft gedaan. Verder is voorbij gegaan aan [verzoekster] ’s gezondheidsklachten, waaronder de gevolgen van een verkeersongeval op 5 oktober 2024, die het voor haar soms onmogelijk maakte bij afspraken aanwezig te zijn. Door haar is benadrukt dat zij altijd transparant is geweest over haar gezondheid en dat zij altijd een actieve houding heeft aangenomen met betrekking tot haar re-integratie. Zij vindt het ontslag op staande voet, zoals gemotiveerd in de hiervoor geciteerde brief van [verweerster] , dan ook niet terecht.
[verweerster] is in haar verweerschrift, onderbouwd met stukken, zeer uitgebreid ingegaan op het verloop van de periode vanaf de ziekmelding op 4 januari 2024 tot het ontslag op staande voet. Het beeld dat daaruit naar voren komt is dat van een werkgever die niet alleen zorgvuldig heeft gehandeld maar ook geduldig is geweest en dat van een werknemer die zich met betrekking tot de re-integratie niet tot nauwelijks actief en transparant heeft opgesteld. Een beeld dat dus haaks staat op dat wat in het verzoekschrift naar voren is gebracht. Van [verzoekster] had op de zitting dan ook wel enige concrete reactie verwacht kunnen worden. Een dergelijke reactie is echter uitgebleven. Zo is niet duidelijk geworden waarom zij zelf nooit een second opinion heeft aangevraagd. Ook zijn de (chronische) gezondheidsklachten waarop [verzoekster] zich beroept en waarmee volgens haar onvoldoende rekening is gehouden niet vast te stellen. Enige onderbouwing daarvan ontbreekt namelijk. Een en ander betekent dat geen reden wordt gezien om te twijfelen aan de gang van zaken als beschreven door [verweerster] en dus ook niet aan de daarop gebaseerde dringende reden als gemotiveerd in de ontslagbrief van 23 december 2024, die hiervoor is geciteerd. Het ontslag op staande voet is dan ook terecht gegeven. De verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen.
Proceskosten
[verzoekster] krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten worden aan de kant van [verweerster] begroot op € 814,00 aan salaris voor haar gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 949,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als de beschikking door een deurwaarder uitgereikt moet worden. De rente over de proceskosten wordt toe als hierna vermeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
Deze beschikking wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de verzoeken van [verzoekster] af;
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de kant van [verweerster] begroot op een bedrag van € 949,00, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen na het wijzen van deze beschikking tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
686