Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 5 november 2025
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 20 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het tussenvonnis van deze rechtbank van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 oktober 2025.
Ter zitting van 29 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
Verweerster heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 31 oktober 2025 geïnformeerd over de huurbetaling van november 2025.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Ter onderbouwing van het verzoek is onder meer aangevoerd dat de inkomsten van verzoekster toereikend zijn om de maandelijkse huurverplichting na te komen. Verder is gesteld dat de lopende huurtermijnen voor de maanden september, oktober en november 2025 zijn voldaan. Schuldhulpverlening stelt verder dat het schuldhulpverleningstraject recent is gestart en dat zij reeds bezig is met het opstarten van budgetbeheer. Met budgetbeheer wordt gewaarborgd dat de huurbetalingen vanaf december 2025 worden voldaan.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting bevestigd dat verzoekster de huur van september en oktober 2025 heeft voldaan. Daarnaast heeft verweerster bij e-mailbericht van 31 oktober 2025 bevestigd dat verzoekster ook de huur van november 2025 heeft voldaan. Zolang de lopende huurtermijnen worden voldaan, kan verweerster instemmen met toewijzing van het verzoek.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 21 juli 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het inkomen van verzoekster is toereikend om de maandelijkse huurverplichting na te komen. De huur over september, oktober en november 2025 is voldaan. Hiervan zijn betaalbewijzen overgelegd en is een ontvangstbevestiging van verweerster ontvangen. Daarnaast zal op korte termijn sprake zijn van budgetbeheer. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
20 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.