ECLI:NL:RBROT:2025:13959

ECLI:NL:RBROT:2025:13959, Rechtbank Rotterdam, 20-11-2025, ROT 25/8319

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 20-11-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer ROT 25/8319
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0019057

Samenvatting

Sv, vovo, WIA, uitkering beëindigd, spoedeisend belang, klacht Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met de beëindiging van de uitkering die zij ontving op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met haar verzoek bereiken dat zij voorschotten ontvangt op de WIA-uitkering, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep (ROT 25/5320). De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat zij van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ook is niet gebleken van een evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Schiedam, verzoekster

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/8319

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

(gemachtigde: mr. J. Schuller-Middelkoop en mr. S. Erdogan).

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met de beëindiging van de uitkering die zij ontving op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met haar verzoek bereiken dat zij voorschotten ontvangt op de WIA-uitkering, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep (ROT 25/5320). De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat zij van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Procesverloop

Het UWV heeft met het besluit van 14 augustus 2024 de WIA-uitkering van verzoekster met ingang van 15 oktober 2024 beëindigd, omdat verzoekster minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 28 augustus 2024 bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 is het UWV bij de beëindiging van de WIA-uitkering gebleven. Het UWV heeft het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit het beroep met zaaknummer ROT 25/5320 ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het UWV.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.

4. Verzoekster heeft onderkend dat zij geen financieel spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De gemachtigde van verzoekster heeft dit op de zitting nogmaals bevestigd.

Het spoedeisend belang is volgens verzoekster met name gelegen in het feit dat sprake is van een onzorgvuldig voorbereid en daarom evident onjuist en onrechtmatig besluit. Dit zit hem volgens verzoekster voornamelijk in de gang van zaken tijdens de hoorzitting van 15 augustus 2025. Bij verzoekster was de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat zij (aanvullend aan de hoorzitting) lichamelijk zou worden onderzocht. De verzekeringsarts in bezwaar gaf echter blijk van een vooringenomen opstelling door stap voor stap de rubrieken van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) te behandelen met een belerende en afwijzende houding richting verzoekster, in plaats van een open en onderzoekende benadering. Toen de gemachtigde van verzoekster de verzekeringsarts wees op de schijn van vooringenomenheid, reageerde deze zichtbaar geprikkeld en besloot hij de hoorzitting eigenmachtig te beëindigen. Ondanks de toezegging van een nieuwe hoorzitting heeft het UWV eenzijdig besloten daarvan af te zien.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoekster geen financieel spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De voorzieningenrechter kan dan alleen nog een voorlopige voorziening treffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het UWV ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier niet voor.

6. De voorzieningenrechter is niet op voorhand gebleken dat de afschatting van verzoekster per 15 oktober 2024 naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% evident onrechtmatig is geweest. Verzoekster is in de aanvraagfase door een verzekeringsarts gezien. Deze heeft een uitgebreid medisch onderzoek verricht. Op basis van dat onderzoek is de FML van 6 mei 2024 vastgesteld. Vervolgens heeft in bezwaar een volledige heroverweging plaatsgevonden, waarbij de (bezwaar)verzekeringsarts in zijn rapportage van 1 september 2025 op alle bezwaren van verzoekster is ingegaan. De voorzieningenrechter begrijpt dat het op de hoorzitting in bezwaar is misgegaan tussen de gemachtigde van verzoekster en de verzekeringsarts bezwaar en beroep over hoe de hoorzitting verliep. Verzoekster heeft daarover een klacht ingediend bij het UWV. Het UWV heeft gemotiveerd op de klacht gereageerd en vervolgens heeft verzoekster zich gewend tot de Nationale Ombudsman. Het is nu aan de Nationale Ombudsman om iets van de klacht te vinden. Het enkele feit dat de hoorzitting niet goed is verlopen en verzoekster een klacht heeft ingediend betekent niet dat het bestreden besluit dus evident onjuist of onrechtmatig is.

Conclusie

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Dit betekent dat het UWV verzoekster geen voorschot op een eventuele (nieuwe) WIA-uitkering hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?