RECHTBANK ROTTERDAM
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer/rolnummer: C/10/696552/HA ZA 25-258
Vonnis in incident van 21 mei 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te Rotterdam,
opposant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,
tegen
[geopposeerde] ,
wonende te Rotterdam,
geopposeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. H.H.M. Meijroos te Den Haag.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verstekvonnis van deze rechtbank van 5 februari 2025 met zaak-/rolnummer C/10/691965/HA ZA 25-2 (hierna: het verstekvonnis), en de daarin genoemde stukken;
de verzetdagvaarding van de man, tevens houdende incidentele vordering ex 223 Rv, van 11 maart 2025, met producties 1 t/m 3;
de conclusie van antwoord in het incident van 9 april 2025, met producties A t/m C.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2017 is de echtscheiding tussen de man en vrouw uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 1 september 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam.
In het kader van de echtscheidingsprocedure hebben de man en de vrouw op 5 juli 2017 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) gesloten. Hierin is - onder meer - de woning aan de [adres] (hierna de woning) aan de vrouw toegedeeld, en de daaraan verbonden hypotheekschuld aan de vrouw toegerekend.
3. Het geschil in de hoofdzaak
Volgens de vrouw is geen uitvoering gegeven aan het convenant voor wat betreft de woning. De vrouw heeft de man gedagvaard voor deze rechtbank maar de man is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. De beslissing in het verstekvonnis luidt:
“De rechtbank,
a. veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering van zijn eigendomsdeel van de woning aan de [adres] aan de vrouw, waarbij onder levering moet worden begrepen het verrichten van alle juridische en feitelijke handelingen noodzakelijk voor het tekenen van de akte van verdeling/levering onder bepaling dat de man een dwangsom van
€ 500,00 per dag of gedeelte daarvan verbeurt, zulks voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan deze uitspraak te voldoen met een maximum van € 25.000,00;
b. bepaalt dat, indien de man zijn medewerking als bedoeld sub a. niet verleent, dit vonnis
op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van de noodzakelijke
toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de door de
notaris op te stellen akte van toedeling/levering met betrekking tot de woning.
c. veroordeelt de man om mede te werken aan de wijziging/doorhaling c.q.
vervallenverklaring van de tenaamstelling van de op de woning afgesloten hypotheek bij
ABN AMRO Hypotheken Groep bv en de daarmee verband houdende verzekering bij
Reaal Levensverzekeringen nv onder polisnummer [polisnummer] eveneens op straffe van een
dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan verbeurt, zulks voor iedere dag dat
hij nadien in gebreke blijft aan deze uitspraak te voldoen met een maximum van
€ 25.000,00;
d. veroordeelt de man tot het doen van rekening en verantwoording met betrekking tot de
door hem wegens verhuur van de woning [adres] in
ontvangst genomen of overgemaakt gekregen huurpenningen vanaf 1 september 2017
dit aan de hand van verificatoire bescheiden een en/of ander op straffe van een
dwangsom van € 100.00 per dag voor iedere dag dat de man na een maand dat de
uitspraak hem betekend is niet aan deze veroordeling voldoet dit met een maximum van
€ 10.000,00:
e. veroordeelt de man het saldo van de rekening en verantwoording als bedoeld onder d.
aan de vrouw te betalen;
f. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt;
g. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.”
De beslissing in het verstekvonnis houdt een toewijzing in van de vorderingen van de vrouw, zij het dat de rechtbank heeft afgewezen de vordering tot machtiging van de vrouw om, indien de man zijn medewerking aan de levering van zijn eigendomsdeel in de woning niet verleent, alle juridische en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om tot overdracht en levering van dat eigendomsdeel aan de vrouw te komen. Ook de gevorderde dwangsom bij de veroordeling tot betaling van het saldo van de rekening en verantwoording is afgewezen. De overige gevorderde dwangsommen zijn door de rechtbank gematigd.
De man is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“I. de man te ontheffen van de veroordeling in het verstekvonnis van 5 februari 2025, gewezen onder zaaknummer C/10/691965 HA ZA 25-2, met vernietiging van het verstekvonnis en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw af te wijzen;
II. de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals door partijen overeengekomen en vastgesteld bij echtscheidingsconvenant van 5 juli 2017 (gedeeltelijk) te vernietigen, dan wel (gedeeltelijk) te ontbinden;
III. voor recht te verklaren dat de betreffende afspraak ten aanzien van de verdeling van de woning te Breda in het echtsscheidingsconvenant geen rechtsgevolg heeft en partijen niet langer aan deze afspraak gebonden zijn;
IV. een verdeling vast te stellen van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen en te bepalen dat de helft van de overwaarde, dan wel de helft van de netto-verkoopopbrengst, van de woning aan de [adres] toekomt aan de man;
V. meer subsidiair: voor recht te verklaren dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de man voor een bedrag van € 39.000,-, althans een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van algemene voldoening;
VI. Iedere verdere beslissing te nemen die Uw rechtbank in goede justitie geraden acht;
VII. de vrouw te veroordelen in de procedure, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zin voldaan.”
4. Het geschil in het incident
De man vordert in het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te schorsen in afwachting van de uitkomst van de verzetprocedure. en (ii) de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, althans afwijzing van de vordering van de man, kosten rechtens.
5. De beoordeling
De man baseert zijn vordering op artikel 223 Rv. Op grond van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, mits de vordering samenhangt met de hoofdvordering en sprake is van spoedeisend belang, in die zin dat de beslissing op de hoofdvordering niet kan worden afgewacht. In het onderhavige geval is van voldoende samenhang tussen de gevorderde voorlopige voorziening en de hoofdvordering sprake. Beide hebben betrekking op de verdeling van de woning.
Dat sprake is van spoedeisend belang, is door de man niet met zoveel woorden gesteld. De man heeft wel gesteld dat tenuitvoerlegging van het verstekvonnis tot onaanvaardbare grote financiële gevolgen voor hem leidt. De man ontvangt een uitkering van het UWV. De toegewezen dwangsommen zullen tot het gevolg hebben dat de man in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren.
Het beroep van de man op een potentiële financiële noodtoestand gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De man heeft het immers zelf in de hand of de door hem geschetste financiële noodsituatie zich voordoet. Als de man meewerkt aan de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, zal hij geen dwangsommen verbeuren en zal de geschetste noodsituatie zich niet voordoen. Schorsing van de tenuitvoerlegging is dus niet nodig om de noodsituatie te voorkomen.
Andere feiten die mogelijk een grond kunnen vormen voor een spoedeisend belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging heeft de man niet gesteld. Dat betekent dat onvoldoende is gesteld om de gevorderde voorlopige voorziening te rechtvaardigen.
De rechtbank komt ook op andere gronden tot afwijzing van de gevorderde voorziening, zoals hierna zal worden toegelicht.
Bij de inhoudelijke beoordeling van de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging moeten de maatstaven worden gehanteerd die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Dat betekent, nu in het verstekvonnis geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dat de rechtbank moet onderzoeken of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde verzet is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing (het verstekvonnis) en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het daartegen aangewende rechtsmiddel (het verzet) buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechtbank in haar oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.
De man heeft aangevoerd dat het verstekvonnis berust op een feitelijke dan wel juridische misslag omdat hem geen redelijke mogelijkheid tot wederhoor is geboden en omdat de vrouw de rechtbank belangrijke informatie heeft onthouden.
Dat de man geen redelijke mogelijkheid tot wederhoor is geboden, is niet gebleken. Integendeel, uit de verzetdagvaarding blijkt dat de man op de hoogte was van de procedure die tot het verstekvonnis heeft geleid, maar dat hij ervoor heeft gekozen niet te verschijnen.
Welke belangrijke informatie de vrouw volgens de man heeft verzuimd naar voren te brengen in haar dagvaarding, heeft de man niet verduidelijkt. Mogelijk bedoelt de man dat de vrouw in haar dagvaarding niet het verweer van de man heeft vermeld dat het convenant niet de daadwerkelijke bedoeling van partijen weergeeft. Dat zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 111 lid 3 Rv als de vrouw met dat verweer bekend was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding. Dat dat het geval is, is echter gesteld noch gebleken en wordt door de vrouw betwist (de vrouw stelt in de dagvaarding dat zij niet bekend is met de verweren van de man). De man heeft dus onvoldoende onderbouwd dat de vrouw deze informatie bewust aan de rechtbank heeft onthouden.
De man heeft ook aangevoerd dat het verstekvonnis een kennelijke fout bevat omdat in het verstekvonnis is overwogen dat de door de vrouw sub b gevorderde machtiging wordt afgewezen, terwijl de rechtbank die machtiging wel heeft verleend. Deze stelling berust echter op een onjuiste lezing van het verstekvonnis. De rechtbank heeft namelijk slechts het tweede deel van het door de vrouw sub b gevorderde toegewezen, en heeft het eerste deel, de gevorderde machtiging, afgewezen (zie 3.2).
Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat het verstekvonnis op een kennelijke misslag berust, dan wel een kennelijke fout bevat. De rechtbank zal bij haar afweging van de belangen van partijen dus uitgaan van het verstekvonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het verzet blijft daarbij buiten beschouwing
De man heeft geen ander belang bij schorsing gesteld dan zijn belang om de noodsituatie vermeld in 5.3 te vermijden.
De vrouw heeft aangevoerd dat haar belang bij tenuitvoerlegging erin is gelegen dat, zolang de woning nog mede eigendom is van de man, het risico bestaat dat schuldeisers van de man beslag op de woning leggen. Zij wijst er daarbij op dat op het appartement van de man in Rotterdam executoriaal beslag is gelegd door een schuldeiser van de man.
Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, uitgaande van hetgeen in het verstekvonnis is overwogen en beslist, en zonder acht te slaan op de kans van slagen van het door de man ingestelde verzet, zwaarder dan het door de man gestelde belang. Zoals overwogen in 5.3, doet de noodsituatie waar de man zich op beroept zich immers niet voor als de man meewerkt aan de tenuitvoerlegging van het vonnis. Schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis is dus niet noodzakelijk om die noodsituatie te voorkomen.
Gelet op al het voorgaande wijst de rechtbank de gevorderde voorlopige voorziening af.
De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de vrouw worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II)
- nakosten € 178,00 (plus de in de beslissing vermelde verhoging)
totaal € 792,00
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af;
veroordeelt de man in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de man niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 2 juli 2025 voor dagbepaling van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak, waarbij geldt dat de vrouw op die zitting een conclusie van antwoord in reconventie kan nemen, mits die conclusie met inachtneming van de termijn genoemd in artikel 87 lid 6 Rv aan de rechtbank en de wederpartij wordt toegezonden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.
3366/1980/3310