RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8558
(gemachtigde : [naam 1]),
en
(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde)
De door verzoekster aangevraagde voorlopige exploitatievergunning voor de door haar geëxploiteerde horeca-inrichting is door de burgemeester geweigerd, omdat de politie heeft geadviseerd deze vergunning niet te verlenen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. In de bezwaarprocedure zal nog nader onderzoek moeten worden gedaan naar de door de politie geconstateerde feiten. Die uitkomst is nog niet duidelijk. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 heeft de burgemeester de aanvraag van [naam 1] ([naam 1]) om een voorlopige exploitatievergunning voor de [verzoekster](hierna: horeca inrichting), gevestigd aan de [adres], afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1], een van de vennoten van verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van de burgemeester en [naam 2] (namens de burgemeester).
De voorzieningenrechter heeft de burgmeester in de gelegenheid gesteld om na de zitting de ongelakte versie van het advies van de politie over te leggen. De burgmeester heeft hiervan gebruik gemaakt. De burgemeester heeft de voorzieningenrechter verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat uitsluitend de voorzieningenrechter van deze stukken kennis zal mogen nemen.
De rechter-commissaris heeft op 19 november 2025 met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist dat beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Verzoekster heeft ter zitting al de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming aan de voorzieningenrechter gegeven om van deze stukken kennis te nemen en bij de beoordeling te betrekken.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. De [verzoekster] wordt al sinds 1992 geëxploiteerd .
Met het besluit van 13 juni 2025 heeft de burgemeester aan [naam 1] een (nieuwe) exploitatievergunning voor de horeca-inrichting verleend, nadat de eerdere exploitatievergunning was verlopen.
Per 1 oktober 2025 is de rechtsvorm van de horeca-inrichting gewijzigd. Van een eenmanszaak is de horeca-inrichting overgegaan naar een vof. Naast [naam 1] is als tweede vennoot in het handelsregister van de Kamer van Koophandel bijgeschreven:
[naam 3].
In verband met de gewijzigde rechtsvorm heeft [naam 1] namens de vof op 22 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een voorlopige exploitatievergunning. Deze aanvraag is gedaan samen met de aanvraag voor een reguliere exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning.
Waar gaat deze zaak om?
3. De burgemeester heeft de gevraagde voorlopige exploitatievergunning geweigerd op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) en de Horecanota. Uit de quick scan die de politie op verzoek van de burgemeester heeft verricht, zijn omstandigheden bekend geworden die nader onderzoek behoeven. De politie heeft dan ook geadviseerd om de voorlopige voorziening niet te verlenen. De burgemeester kan daarom niet uitsluiten dat door de exploitatie van de horeca-inrichting de openbare orde op korte termijn gevaar loopt en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed.
De burgemeester houdt hierbij rekening met het karakter van de straat en van de wijk waarin de horeca-inrichting is gelegen of zal komen te liggen, de aard van de horeca-inrichting, de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de horeca-inrichting en de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de horeca-inrichting in deze of in andere horeca-inrichtingen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester nader toegelicht dat het met name gaat om antecedenten in oktober 2024 en januari 2025 waarbij een van de vennoten van verzoekster betrokken was.
4. Verzoekster is het met dit besluit niet eens en wil met haar verzoek bereiken dat haar alsnog een voorlopige exploitatievergunning wordt verleend (totdat op het bezwaar is beslist). Verzoekster stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verder wijst zij erop dat de horeca-inrichting al meer dan 30 jaar bestaat en er geen grote problemen zijn geweest. Zij acht het bestreden besluit dan ook disproportioneel.
Spoedeisend belang
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang in deze zaak aan. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen kan de vof de horeca-inrichting niet exploiteren en geen inkomsten verwerven, terwijl de kosten, waaronder de personeelskosten, wel gewoon doorlopen. De horeca-inrichting is bovendien al sinds 21 oktober 2025 gesloten. De voorzieningenrechter zal het verzoek inhoudelijk behandelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Op deze uitspraak is het wettelijk kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.
8. De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken.
9. Verzoekster heeft op 22 oktober 2025, naast een reguliere vergunning, een voorlopige exploitatievergunning aangevraagd, vanwege de wijziging in de rechtsvorm van de onderneming, namelijk van een eenmanszaak naar een vennootschap onder firma. Het gaat in deze procedure uitsluitend om de voorlopige exploitatievergunning.
10. Niet is betwist is dat naast de wijziging van rechtsvorm er geen andere veranderingen in de exploitatie van de horeca-inrichting zijn. Uit de Horecanota volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een voorlopige exploitatievergunning een zogenoemde Quick scan wordt gedaan naar de betrokkenen. In het advies van de 27 oktober 2025 heeft de politie vastgesteld dat er omstandigheden bekend zijn geworden die nader onderzoek behoeven en geadviseerd de gevraagde voorlopige vergunning niet te verlenen De voorzieningenrechter stelt vast dat in het advies van de politie melding wordt gemaakt van ernstige feiten in oktober 2024 en januari 2025. Zoals ter zitting verklaard betreffen deze feiten de vennoot [naam 1]. Uit de informatie in het advies van de politie is niet zonder meer af te leiden in hoeverre deze feiten in de horeca-inrichting hebben plaatsgevonden dan wel anderszins verband houden met de exploitatie van de horeca- inrichting en de uitstraling daarvan op de omgeving. Dit is van belang, nu de weigering van de voorlopige exploitatievergunning is gebaseerd op artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV, waaruit volgt dat feiten zich moeten hebben voorgedaan in of vanuit de openbare inrichting dan wel aannemelijk is dat die zich in de toekomst zullen voordoen waardoor de openbare orde of het woon- en leefklimaat in de omgeving zullen worden beïnvloed. Dat zal de burgmeester in de bezwaarprocedure nog nader moeten onderzoeken en dat zal ook bij de beoordeling van de reguliere vergunning aan de orde moeten komen. Op dit moment is het niet duidelijk wat de uitkomst van dit onderzoek zal zijn en of de voorlopige vergunning alsnog verleend kan worden. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster graag de exploitatie van de horeca-inrichting zo snel mogelijk wil voorzetten. Nu er nog geen duidelijkheid is over de uitkomsten van het nader onderzoek en de gevolgen ervan en gelet op het feit dat de horeca-inrichting al is gesloten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat de horeca-inrichting in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift weer geëxploiteerd mag worden.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat in afwachting van de beslissing op bezwaar de horeca-inrichting niet geëxploiteerd mag worden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012
Volgens artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed.
De Horecanota vermeldt over de voorlopige exploitatievergunning, voor zover van belang, het volgende:
De voorlopige (exploitatie)vergunning heeft in beginsel een behandeltermijn van vijf werkdagen. Er wordt een eerste snelle toets (quick scan) gedaan naar het functioneren van de inrichting tot nu toe (de omgevingsgerelateerde aspecten) en naar de betrokkenen, waaronder de nieuwe exploitanten en beheerders (de persoons gerelateerde aspecten). De aanvrager ontvangt een besluit of de voorlopige (exploitatie)vergunning wel of niet wordt verleend
Een voorlopige (exploitatie)vergunning wordt in ieder geval niet verleend:
- Bij objectief vastgestelde overlastklachten van de huidige horeca-inrichting.
- Als tegen de aanvrager of tegen de horeca-inrichting waarvoor hij een vergunning aanvraagt een bestuurlijke maatregel van kracht is dan wel een voornemen tot het nemen van een bestuurlijke maatregel bestaat.
- Als over de bestaande exploitatie bestuurlijke procedures (waaronder bezwaar, beroep en/of een Bibob-onderzoek naar de bestaande exploitatie en/of aanvrager of zijn leidinggevenden) lopen, die van invloed zijn op de besluitvorming.
- Als de inrichting langer dan een jaar niet is geëxploiteerd.