Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/177334-22
Datum uitspraak: 25 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] te ([postcode]) [plaatsnaam],
raadsman mr. J.N. Hoek, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt verdediging
Hoewel kan worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het verrichten van voorbereidingshandelingen voor het produceren van drugs, kan niet worden bewezen dat de verdachte daadwerkelijk 871,8 kilogram BMK-glycidezuur voorhanden heeft gehad.
Er zijn naast de verdachte ook andere personen in de container aan de Volkelstraat in Rotterdam geweest. Daarom kunnen niet alle aangetroffen zakken met BMK-glycidezuur aan de verdachte worden toegeschreven. Daarnaast moet de verdachte worden vrijgesproken van het medeplegen omdat er geen samenwerking met anderen is geweest. De verdachte is slechts ingezet als katvanger en is een kleine schakel in een veel groter geheel geweest, waar hij geen weet van had. Dat blijkt des te meer uit het feit dat BMK-glycidezuur (anders dan BMK) een pre-precursor is, waardoor meerdere stappen nodig zijn om drugs te kunnen maken. De verdachte weet niets van het productieproces van drugs en weet ook niet wat BMK of BMK-glycidezuur is.
Beoordeling door de rechtbank
Vaststaat dat op 13 juli 2022 op het Stieltjesplein in Rotterdam [medeverdachte] twee pakketten aan de verdachte heeft overhandigd. De verdachte heeft deze pakketten in zijn bestelbus geladen, waarna hij is weggereden. De verdachte is vervolgens staande gehouden. In de laadruimte werden twee dozen met zakken aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze zakken 21,3 kilogram en 21,5 kilogram BMK-glycidezuur bevatten.
Bij de aanhouding van de verdachte zag en hoorde de verbalisant dat de routeplanner op de telefoon van de verdachte aan stond. Deze route eindigde bij opslagbedrijf “Swartbox” aan de [adres 2]. Uit onderzoek is gebleken dat door de verdachte sinds 20 mei 2022 bij dat opslagbedrijf een zeecontainer werd gehuurd. De politie is naar dit adres gegaan en heeft de container geopend met een sleutel die bij de fouillering van de verdachte in zijn portemonnee werd aangetroffen. In de container stonden tientallen zakken met, zo bleek uit later onderzoek door het NFI, BMK-glycidezuur.
Hoeveelheid
Voor wat betreft de hoeveelheid BMK-glycidezuur die is aangetroffen is van belang dat in het onderzoeksrapport van het NFI bij één groene vezelversterkte zak met transparante plastic binnenzak van ongeveer 20 kilogram (LFO code R1) geen NFI-uitslag vermeld staat. Daarom is van deze zak van 20 kilogram niet bewezen te achten dat het gaat om BMK-glycidezuur. Rekening houdend met het vorenstaande blijkt uit de rapportage van het NFI, dat de in de container aangetroffen zakken samen een hoeveelheid van 809 kilogram BMK-glycidezuur bevatten. Samen met de inhoud van de twee pakketten die in de auto zijn aangetroffen heeft de verdachte de beschikkingsmacht gehad over 851,8 kilogram (te weten 809 + 21,3 + 21,5 kilogram) BMK-glycidezuur.
Voorwaardelijk opzet
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij bij de container een chemische lucht heeft geroken en dat hij de connectie met drugs had gelegd. De verdachte heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stoffen die hij voorhanden heeft gehad de illegale bestemming van de productie van drugs zouden hebben. De rechtbank oordeelt daarom dat sprake is van voorwaardelijk opzet.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Vast is komen te staan dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en één of meer anderen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij in opdracht van één of meer anderen verantwoordelijk was voor het huren van de container en dat meerdere personen toegang hadden tot de container en daar gebruik van maakten. Dat verdachte geen weet had van wie die anderen precies waren en ook niet van het verdere productieproces doet niet af aan de nauwe en bewuste samenwerking voor zijn deel van het plegen van het feit. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer dat verdachte van het medeplegen moet worden vrijgesproken.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van - kort gezegd - voorbereidingshandelingen voor het begaan van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hijop of omstreeks 13 juli 2022te Rotterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van deOpiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijnmededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zijbestemd waren tot het plegen van dat feit,door 871,8 kilogram 851,8 kilogram, althans een hoeveelheid BMK Glycidezuur voorhanden te hebben;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van amfetamine en/of MDMA door 851,8 kilogram BMK-glycidezuur voorhanden te hebben. De verdachte heeft twee pakketten met 42,8 kilogram BMK-glycidezuur van [medeverdachte] overhandigd gekregen en vervolgens in zijn bestelbus meegenomen. Ook heeft de verdachte een container gehuurd waarin tientallen zakken met in totaal 809 kilogram BMK-glycidezuur zijn aangetroffen. De verdachte zou hiervoor geld krijgen. Met zijn handelen heeft de verdachte samen met anderen een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van harddrugs. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. De verdachte heeft zijn eigen belangen laten prevaleren boven de schadelijke gevolgen die de handel in harddrugs veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft op 22 juli 2022, 20 oktober 2022 en 31 oktober 2025 rapporten over de verdachte opgemaakt. Uit de (inmiddels verouderde) rapporten uit 2022 blijkt kort samengevat dat toen sprake was van disfunctioneren op verschillende leefgebieden (geen stabiel inkomen, familiaire problemen, het niet afmaken van zijn opleiding en vermoedelijk het niet kunnen behouden van werk). Het actuele rapport van 31 oktober 2025 houdt het volgende in.
De verdachte vertelt spijt te hebben van alles. Hij is blij dat hij zich persoonlijk heeft kunnen ontwikkelen met behulp van alle begeleiding en hulpverlening. De verdachte heeft werk en kan rondkomen van zijn inkomen. Hij heeft goed contact met zijn familie en vrienden. De verdachte heeft geen contact met de medeverdachten en hij wil dit ook niet. Hij heeft een behandeling bij Fivoor positief afgerond. Verder is de verdachte in begeleiding bij de Binnenvest die hem begeleiden naar een convenantwoning. De reclassering ziet momenteel geen risicofactoren op de leefgebieden van de verdachte. Het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.
De reclassering adviseert een straf zonder voorwaarden. Wel wordt geadviseerd het contactverbod met de medeverdachten te verlengen. Wanneer de verdachte een gevangenisstraf opgelegd krijgt, zal zijn traject naar een convenantwoning vervallen en kan het huurcontract niet meer op zijn naam worden gezet. Ook zal hij zijn baan verliezen. Een gevangenisstraf wordt daarom niet wenselijk gevonden. De verdachte lijkt in staat te zijn om een taakstraf uit te voeren.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Maar de rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer is dan het voorarrest (73 dagen).
Verdachte heeft op de zitting zijn spijt betuigd en heeft uitgelegd dat er sprake is geweest van een eenmalige misstap. Dit vindt ook steun in de reclasseringadviezen. Uit het reclasseringsadvies van 31 oktober 2025 blijkt dat de verdachte zijn behandeling bij Fivoor positief heeft afgesloten, goed meewerkt aan begeleiding, afspraken nakomt en iedere kans aanpakt om zijn leven te beteren. De verdachte heeft een baan en wordt begeleid in het traject naar een convenantwoning. Het opnieuw gedetineerd raken zal de positieve weg die de verdachte is ingeslagen in negatieve zin doorkruisen. Dit vindt de rechtbank ongewenst.
Wel legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op van hierna te bespreken duur, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden als stok achter de deur voor de verdachte om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Hieraan verbindt de rechtbank reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde, omdat de verdachte baat heeft bij begeleiding door de reclassering. De rechtbank ziet, met de officier van justitie, geen aanleiding de verdachte een contactverbod met de medeverdachte(n) op te leggen.
Redelijke termijn
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.
De verdachte is in de onderhavige zaak op 13 juli 2022 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden. Tussen 13 juli 2022 en de datum van dit vonnis ligt een periode van ruim drie jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom zal als compensatie in plaats van een taakstraf van 200 uur een taakstraf van 180 uur worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 253 (tweehonderddrieënvijftig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. A.M.H. Geerars en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Twist, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hijop of omstreeks 13 juli 2022te Rotterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van deOpiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorendelijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijnmededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zijbestemd waren tot het plegen van dat feit,door 871,8 kilogram, althans een hoeveelheid BMK Glycidezuur voorhanden tehebben.