Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 27 oktober 2025
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 15 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van de rechtbank van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 oktober 2025.
Ter zitting van 21 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij 20 uur per week werkt, maar dat zij op dit moment ziek is. Zij is bezig met re-integreren. Verzoekster ontvangt inkomsten uit voornoemde dienstbetrekking, een aanvullende Ziektewetuitkering van het UWV en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De inkomsten van verzoekster zijn op dit moment stabiel. De huur over de maand oktober 2025 is voldaan op 27 september 2025. De huur over de maand november 2025 is voldaan op
20 oktober 2025. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat budgetbeheer is opgestart. Het is de verwachting dat de vaste lasten met ingang van de maand november 2025 door de budgetbeheerder zullen worden voldaan. Verzoekster moet nog aangifte inkomstenbelasting doen over de jaren 2023 en 2024. Verzoekster is hier mee bezig. Zodra deze aangiftes zijn gedaan, zal het schuldhulpverleningstraject worden opgestart.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 2 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat op 21 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 5 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomsten uit dienstbetrekking, aanvullende ziektewetuitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen. De huurtermijnen over de maanden oktober en november 2025 zijn tijdig voldaan. Het is de verwachting dat met ingang van november 2025 budgetbeheer is opgestart. Hierdoor is de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd. Verzoekster is bezig aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2023 en 2024 te doen. Deze aangiftes zullen op korte termijn worden ingediend, waarna het schuldhulpverleningstraject zal worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 5 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 17 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.