Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [insolventienummer 1] - [insolventienummer 2]
uitspraakdatum: 7 november 2025
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 1 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 2 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 oktober 2025.
Ter zitting van 17 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft mevrouw K.D. Staat, werkzaam bij Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonkracht10 (hierna: verweerster) laten weten dat namens verweerster niemand ter zitting aanwezig zal zijn en dat verweerster zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Namens verzoeker zijn op 4 november 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn (schulden)problematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij de Sociale Dienst Drechtsteden. Daarnaast krijgt verzoeker begeleiding vanuit Antes. Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Wajong-uitkering. Ook ontvangt hij zorgtoeslag en huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Dit volgt ook uit het budgetplan.
Verzoeker heeft zich daarnaast ook gemeld bij AFS beschermingsbewind. Aangezien het beschermingsbewind nog niet was uitgesproken, is verzoeker tijdens de zitting de mogelijkheid geboden om versneld beschermingsbewind aan te vragen bij de kantonrechter. Verzoeker heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Inmiddels is, per 29 oktober 2025, sprake van beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerde zal zorgdragen voor de volledige en tijdige betaling van de vaste lasten, waaronder de huur. Bovendien heeft verzoeker de huur van november 2025 voldaan. De beschermingsbewindvoerder zal het minnelijk traject uitvoeren.
3. Het verweer
Verweerster heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 1 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 9 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden zodat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 17 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is verder aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomsten uit een Wajong-uitkering. Daarnaast ontvangt hij huurtoeslag en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft ook een betaalbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huur van november 2025 is voldaan. Bovendien staat verzoeker inmiddels onder beschermingsbewind. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huur voortaan volledig en tijdig wordt voldaan.
Intussen is er een minnelijk schuldhulpverleningstraject in gang gezet door de Sociale Dienst Drechtsteden en dit zal worden voortgezet door de beschermingsbewindvoerder, die daartoe bevoegd is op grond van artikel 48 lid 1 van de Wet op het consumentenkrediet. Nu de voorlopige voorziening al ruim twee maanden loopt, is er haast geboden bij de afronding van dit traject. De rechtbank acht echter niet op voorhand onaannemelijk dat de beschermingsbewindvoerder in staat is om binnen vier maanden een minnelijke regeling tot stand te brengen dan wel een Wsnp-verzoek in te dienen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 17 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
2 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de persoon of instelling die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.