ECLI:NL:RBROT:2025:13999

ECLI:NL:RBROT:2025:13999, Rechtbank Rotterdam, 02-12-2025, C/10/710818 / HA RK 25-1164

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 29-12-2025
Zaaknummer C/10/710818 / HA RK 25-1164
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wrakingskamer. Verzoekster is kennelijk niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek. De wrakingskamer constateert dat verzoekster als gronden geen enkele uitlating, gedraging en/of beslissing van de rechter heeft genoemd. Verzoekster heeft ook niet gesteld, laat staan uitgelegd, waarom zij vindt dat de rechter tegenover haar vooringenomen is of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvoor heeft gewekt. De wet schrijft echter voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden vermeld. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. De wrakingskamer bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen, omdat verzoekster het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer

Zaak- en rekestnummer: C/10/710818 / HA RK 25-1164

Beslissing van 2 december 2025

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

woonplaats: [plaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat mr. P.A. Loeff,

strekkende tot de wraking van

mr. M.C. Snel-van den Hout,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1. De procedure

Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaken met zaak- en rekestnummers C/10/709159 / FT RK 25/1959, C/10/709160 / FT RK 25/1960 en C/10/709188 / FT RK 25/1966 (‘de hoofdzaken’). De hoofdzaken betreffen verzoeken om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 van de Faillissementswet (Fw) en een verzoek op grond van artikel 284 Fw.

Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting in de hoofdzaken op 26 november 2025, tijdens welke terechtzitting verzoekster de rechter heeft gewraakt.

2. De ontvankelijkheid van het verzoek

De rechter heeft verzoekster tijdens de behandeling ter terechtzitting in de hoofdzaken herhaaldelijk gevraagd wat de gronden van het wrakingsverzoek zijn. Vervolgens heeft verzoekster de gronden van haar wrakingsverzoek genoemd, die in het proces-verbaal zijn genoteerd. De wrakingskamer constateert dat verzoekster als gronden geen enkele uitlating, gedraging en/of beslissing van de rechter heeft genoemd. Verzoekster heeft ook niet gesteld, laat staan uitgelegd, waarom zij vindt dat de rechter tegenover haar vooringenomen is of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvoor heeft gewekt. Sterker nog, zij verklaart tot drie keer toe dat de wraking niet persoonlijk op de rechter ziet. In zoverre zijn aan het verzoek tot wraking dan ook geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd.

De wet schrijft echter voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden vermeld. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.

Voor een behandeling van het wrakingsverzoek tijdens een mondelinge behandeling bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Gezien het voorgaande wordt aan dat debat niet toegekomen.

De conclusie is dat verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard in het wrakingsverzoek.

Verzoekster heeft het wrakingsverzoek op geen enkele wijze onderbouwd met gronden die zien op gedragingen, uitlatingen en/of beslissingen van de rechter die mogelijk tot gegrondverklaring van een wrakingsverzoek zouden kunnen leiden. Door indiening van het wrakingsverzoek zijn de hoofdzaken zonder enige goede grond vertraagd. Daarmee heeft verzoekster het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk om (de schijn van) partijdigheid van de rechter die de hoofdzaken behandelt aan de orde te stellen. De wrakingskamer oordeelt daarom dat verzoekster misbruik van het wrakingsinstrument heeft gemaakt. De wrakingskamer bepaalt om die reden dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaken niet meer in behandeling wordt genomen.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechter in de civiele zaken met zaak- en rekestnummers C/10/709159 / FT RK 25/1959, C/10/709160 / FT RK 25/1960 en C/10/709188 / FT RK 25/1966;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. van den Bos, voorzitter, mr. A. Buizer en mr. M.G.L. de Vette, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en uitgesproken op 2 december 2025.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. van den Bos
  • mr. A. Buizer
  • mr. M.G.L. de Vette

Griffier

  • mr. R.W.H. van Rijkom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?