ECLI:NL:RBROT:2025:14017

ECLI:NL:RBROT:2025:14017, Rechtbank Rotterdam, 19-11-2025, ROT 25/8235 en ROT 25/7147

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer ROT 25/8235 en ROT 25/7147
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. De Zvw is in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 15, eerste lid, van de Pw in beginsel aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat. Daarbij is dus niet van belang, zoals eiseres kennelijk meent, dat de kosten niet voorzienbaar waren. Ook komt eiseres geen geslaagd beroep toe op artikel 16, eerste lid, van de Pw. Eiseres is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van zeer dringende redenen.

Uitspraak

[eiseres], uit Capelle aan den IJssel, eiseres,

(gemachtigde: mr. N. Claassen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, het college,

(gemachtigde: mr. N.D. Frits).

Inleiding

Met het besluit van 19 mei 2025 heeft het college de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor tandartskosten van € 3.081,64 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 29 juli 2025 heeft het college het eerdere besluit van

19 mei 2025 op basis van de alsnog ingediende stukken heroverwogen en bepaald dat deze afwijzing in stand blijft. Ook heeft college aangegeven dat het al ingediende bezwaar op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Met het besluit van 25 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 19 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 29 juli 2025, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Eiseres heeft op 3 november 2025 nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?

2. Eiseres heeft op 13 mei 2025 bij het college bijzondere bijstand aangevraagd voor tandartskosten van € 3.081,64. Zij heeft een aanvullende zorgverzekering bij VGZ Zorgverzekeraar.

Het standpunt van het college

3. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de bijzondere bijstand voor de tandartskosten terecht is afgewezen. De Zorgverzekeringswet (Zvw) vergoedt in het algemeen alle noodzakelijke kosten van (para)medische behandelingen. Deze wet is een voorliggende voorziening en daarom is op grond van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) bijstandsverlening niet mogelijk. Volgens het college volgen uit de patiëntenkaart en de overgelegde verklaringen van de tandarts niet dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw op grond waarvan toch bijstand moet worden verleend. Ook doen de uitzonderingssituaties uit het beleid zich hier niet voor. Het college baseert dit op het advies van de commissie bezwaarschriften van 20 augustus 2025.

Wat vindt eiseres?

4. Eiseres is van mening dat de kosten niet voorzienbaar waren. Het gaat om het vervangen van oude kronen die jaren geleden in Afghanistan bij eiseres geplaatst zijn. Toen is eiseres verteld dat haar kronen nooit hoefde te worden vervangen. Ook anderszins hoefde eiseres niet te vermoeden dat haar kronen na verloop van tijd vervangen moesten worden. Dat eiseres in deze veronderstelling verkeerde, blijkt ook uit het feit dat zich aanvankelijk met andere klachten tot de tandarts in Nederland heeft gewend. Pas na (onder meer) een wortelkanaalbehandeling kwam de tandarts tot de conclusie dat de kronen vervangen zouden moeten worden en dat dit mogelijk de oorzaak was van alle problemen. Verder voert eiseres aan dat het niet mogelijk was om gelden te reserveren. Zij is in de periode van haar echtscheiding rond 2021 in de bijstand terecht gekomen. Eiseres heeft ook nog schulden bij de gemeente en een rijschool die het college kennelijk niet in de besluitvorming zijn betrokken.

Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?

In artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van Pw is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht toereikend en passend te zijn. In de tweede volzin staat dat dat recht zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

In artikel 16, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

In artikel 2 van de Beleidsregels bijzondere bijstand medische kosten 2020 is bepaald dat er geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor medische kosten. Dat is, gelet op het tweede lid, alleen anders indien het niet verstrekken van bijzondere bijstand voor medische kosten tot een kennelijke hardheid leidt. Indien dat zich voordoet bedraagt, gelet op het derde lid, de hoogte van de bijzondere bijstand het bedrag van de nota, minus de verstrekking van een voorliggende voorziening, met dien verstande dat maximaal de goedkoopst passende voorziening voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.

6. De Zvw is in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Dit is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad (Raad) van 16 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2108). Dit is ook zo als de gemaakte kosten – zoals ook in het geval van eiseres – niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:814). Uit het vorenstaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 15, eerste lid, van de Pw, in beginsel aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat. Daarbij is dus niet van belang, zoals eiseres kennelijk meent, dat de kosten niet voorzienbaar waren. De voorzieningenrechter ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding voor een andersluidende conclusie.

7. Zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Pw doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Maar ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarin het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985).

8. Voor zover uit de gronden van eiseres al een beroep op artikel 16, eerste lid, van de Pw kan worden afgeleid, doet zij daarmee een beroep op een uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de Pw. Het ligt daarom in beginsel op haar weg om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor bijstandsverlening op grond van zeer dringende redenen is voldaan. Het college heeft op zitting toegelicht dat tijdens de bezwaarprocedure onderzoek is gedaan naar de tandheelkundige behandelingen van verzoekster. Aan de tandarts van verzoekster is gevraagd welke behandelingen in de te beoordelen periode uitstelbaar en niet uitstelbaar waren. Daarop heeft de tandarts drie verklaringen overgelegd. Uit deze brieven blijkt niet dat sprake was dat de kronen zijn vervangen als gevolg van acute pijnklachten of een andere acute noodsituatie. Eiseres is er dus niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van zeer dringende redenen.

9. Eiseres heeft er verder nog op gewezen dat zij naast de schulden van de tandartskosten, ook schulden heeft bij de gemeente en bij een rijschool. Het college heeft de De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekster, zoals ook ter zitting, is besproken zich kan wenden tot de schuldhulpverlening om meer grip op haar schulden te krijgen.

10. De aanvraag om bijzondere bijstand is terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiseres geen bijzondere bijstand krijgt voor de tandartskosten. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.J. Bes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?