RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701096 / JE RK 25-1168
Datum uitspraak: 30 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ([geboorteland]), hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, zonder vaste woon- of verblijfplaats.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, zonder vaste woon- of verblijfplaats.
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 mei 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 10 juni 2025;
de aankondiging van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 1 april 2025;
de brief met terugplaatsingsvoorwaarden van 27 februari 2025;
de e-mailwisseling tussen die Oberbürgermeisterin en Advisor Dutch Authority International Children’s Issues van 29 oktober 2024, 27 november 2024, 5 december 2024 en 19 december 2024;
de e-mailwisseling tussen de GI en Hospital Göttingen-Weende van 7, 12 en 13 maart 2025;
de e-mailwisseling tussen de GI en University Medical Center in Göttingen van 13 maart 2025;
de e-mailwisseling tussen de GI en Ev. Krankenhaus Göttingen-Weende van 19 maart 2025;
de e-mailwisseling tussen de kinderbescherming en Bundesamt für Justiz van 29 oktober 2024, 6 januari 2025 en 7 januari 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
De ouders zijn niet verschenen. De GI heeft aangegeven dat de ouders via een WhatsApp bericht hebben laten weten niet aanwezig te zullen zijn.
2. De feiten
Er zijn gerede twijfels of de vader en de moeder daadwerkelijk de ouders van [minderjarige] zijn; vooralsnog gaat de kinderrechter ervan uit dat de moeder het ouderlijk gezag heeft over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
Bij beschikking van 9 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 9 januari 2026. Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 9 juli 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Het laatste omgangsmoment tussen de ouders en [minderjarige] heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. De GI heeft sindsdien meerdere pogingen ondernomen om in contact te komen met de ouders, maar dit is slechts in beperkte mate gelukt via WhatsApp. De ouders reageren niet op inhoudelijke vragen. [minderjarige] beschikt nog niet over een BSN-nummer. Zij heeft bovendien plekjes in haar mond, maar er is toestemming van de ouders nodig om haar door een huisarts te laten onderzoeken.
4. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
[minderjarige] is op 9 juli jl. uit huis geplaats, omdat haar ouders onvoldoende in staat waren te voorzien in haar basisbehoeften. In de periode daarna hebben begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden tussen [minderjarige] en haar ouders, die goed verliepen. Ondanks het goede verloop van de omgangsmomenten, heeft het laatste bezoek op 27 februari 2025 plaatsgevonden. Sindsdien is er ook geen inhoudelijk contact meer geweest tussen de GI en de ouders, afgezien van enkele WhatsApp-berichten. Het ontbreekt de GI aan zicht op de verblijfplaats en de leefsituatie van de ouders. Daarnaast bestaan er bij de GI serieuze twijfels over de vraag of de ouders daadwerkelijk de (biologische) ouders van [minderjarige] zijn. Het ziekenhuis waarvan de ouders stellen dat [minderjarige] daar is geboren, heeft haar niet in het systeem staan. De GI werd doorverwezen naar twee andere ziekenhuizen in verband met een mogelijke vergissing, maar ook daar is [minderjarige] niet geregistreerd. Gelet op het uitblijven van contact, het ontbreken van informatie en de genoemde twijfels kunnen de ouders op dit moment niet in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voorzien. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat zij nog in het pleeggezin blijft. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Voor de komende periode is het van belang dat inspanningen worden voortgezet om in contact te komen met de ouders en om een DNA-test bij hen af te nemen, zodat kan worden vastgesteld of zij de (biologische) ouders van [minderjarige] zijn.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 januari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2025 door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.