RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/701260 / JE RK 25-1192 en C/10/675699 / FA RK 24-2088
Datum uitspraak: 22 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in Aruba, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in Aruba, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende in Rotterdam.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/701260 / JE RK 25-1192
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 12 juni 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
Ten aanzien van C/10/675699 / FA RK 24-2088
- de beschikking van 5 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
Op 22 juli 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , begeleider van vader.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij zijn niet naar het gesprek met de kinderrechter gekomen en hebben ook niet op een andere manier hun mening gegeven.
2. De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.
Bij beschikking van 5 augustus 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 5 augustus 2025.
3. De verzoeken
Ten aanzien van C/10/701260 / JE RK 25-1192
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De zorgen die er jaren geleden waren, zijn nog steeds aanwezig. Vanuit school worden signalen afgegeven dat de kinderen vaak te laat komen, delen van de les missen, te kleine kleding dragen en dat het over het algemeen niet goed lijkt te gaan met hen. Bovendien heeft de vader meerdere keren afspraken afgezegd, waardoor het onvoldoende mogelijk is om een goed beeld van de situatie te krijgen. Er lijkt sprake te zijn van rolomkering binnen het gezin. Daarnaast is sprake van een beperkt netwerk. De indruk bestaat dat geen sprake is van onwil, want de vader is een betrokken en liefdevolle ouder. Toch lukt het de vader niet om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. Er geldt een lange wachtlijst voor begeleid wonen. Daarom is het van belang om in te zetten op plaatsing in een deeltijdpleeggezin. De bedoeling was om de kinderen samen te plaatsen, maar inmiddels wordt ook gezocht naar twee afzonderlijke plekken. Hoewel een gezamenlijke plaatsing de voorkeur heeft, lijkt dit niet haalbaar vanwege de beperkte beschikbaarheid van pleeggezinnen dan wel gezinshuizen die beide kinderen kunnen opvangen.
Ten aanzien van C/10/675699 / FA RK 24-2088
De Raad verzoekt de voogdij van de oma over de minderjarigen te beëindigen en primair de GI te benoemen tot voogdes over de minderjarigen. Subsidiair verzoekt de Raad om de vader te herstellen in het ouderlijk gezag over de minderjarigen en de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de periode van één jaar en de GI te machtigen de minderjarigen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek tot beëindiging van de voogdij en (subsidiair) het herstellen van het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarigen, alsook het verzoek tot ondertoezichtstelling zijn bij beschikking van 5 oktober 2024 toegewezen. Thans resteert het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden.
De Raad handhaaft ter zitting het resterende verzoek en licht dit als volgt toe. De vader doet zijn best en houdt van zijn kinderen, maar er blijven ernstige zorgen bestaan over de opvoedsituatie. Ondanks de inzet van hulpverlening is het niet gelukt om een blijvende verbetering te realiseren. Een 24-uurs woonvoorziening met begeleiding is noodzakelijk, maar voor een dergelijke plek geldt een lange wachtlijst en het is onduidelijk wanneer een plaats beschikbaar komt. Daarom sluit de Raad zich aan bij het voorstel van de GI om de kinderen doordeweeks in een pleeggezin te plaatsen en in het weekend bij de vader te laten verblijven. Op deze manier ontvangen de kinderen doordeweeks voldoende verzorging en structuur en kunnen zij in het weekend een fijne tijd met de vader hebben.
4. Het standpunt van de vader
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling maar wel tegen het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing. De meest recente informatie in het dossier is van enkele maanden geleden en de beschreven zorgen zijn grotendeels gebaseerd op het raadsrapport van vorig jaar. Het is onduidelijk hoe de situatie zich in de afgelopen maanden heeft ontwikkeld. Daarnaast is de noodzaak voor een uithuisplaatsing onvoldoende onderbouwd. De vader heeft het afgelopen jaar positieve stappen gezet, terwijl hij beperkt hulpverlening ontving. Middin biedt twee keer per week ondersteuning: een uur opvoedondersteuning en een uur praktische ondersteuning. Daarnaast is er een uur per week thuiszorg. De verkennende week bij Gezin Totaal is destijds goed verlopen. Volgens Gezin Totaal was er ook geen aanleiding om een ambulant traject met intensieve hulpverlening op te starten. Het is niet proportioneel om nu ineens over te gaan tot een uithuisplaatsing, terwijl er nog mogelijkheden zijn om de hulpverlening te intensiveren. Vader staat ervoor open om begeleid te gaan wonen. In afwachting daarvan moet aanvullende hulpverlening worden ingezet. Door de Raad is eerder het belang benadrukt om de kinderen samen te plaatsen. Nu wordt gesproken over het zoeken naar twee afzonderlijke plekken, wat niet in het belang van de kinderen is. Ook het wisselen van school is niet in het belang van de kinderen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er bestaan aanhoudende zorgen over de opvoedsituatie. Hoewel de vader liefdevol is en het beste voor zijn kinderen wil, krijgen zij niet de opvoeding en verzorging die nodig is voor hun leeftijd en ontwikkeling. De zorgen zien onder meer op de hygiëne van de kinderen, het bieden van structuur, emotionele ondersteuning, gezonde voeding, het bieden van ouderlijke leiding en het ondersteunen van de schoolgang. Ondanks de inzet van hulpverlening zijn deze zorgen nog altijd aanwezig. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer blijft noodzakelijk om hulpverlening in te zetten voor de vader en de kinderen en de ontwikkeling van de kinderen te volgen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van de verzoeken om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, oordeelt de kinderrechter dat deze verzoeken (opnieuw) moeten worden aangehouden. De overgelegde stukken en de toelichting hierop die ter zitting is gegeven bieden onvoldoende informatie over de actuele bevindingen van de betrokken hulpverlening, de omvang van de huidige ondersteuning, de mogelijkheden tot uitbreiding daarvan en de duur van de wachtlijst voor een passende 24-uursvoorziening. Daarbij komt dat niet duidelijk is waar de kinderen heen gaan als een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. De GI heeft ter zitting aangegeven dat een gezamenlijke plaatsing waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn. Er wordt daarom (ook) gezocht naar afzonderlijke plaatsen. Uit de stukken blijkt evenwel dat de kinderen een sterke band hebben en dat een gezamenlijke plaatsing hen veel steun zou bieden. Een gezamenlijke plaatsing – indien nodig – zou dan ook in het belang van beide kinderen zijn. Gelet op het voorgaande kan de kinderrechter nog niet beslissen op dit deel van het verzoek van de Raad en de GI.
Gelet hierop zal de kinderrechter de resterende verzoeken aanhouden voor een periode van ongeveer drie maanden. Voor de komende tijd is het van belang dat de GI onderzoekt of de inzet van intensievere hulpverlening in de thuissituatie bij de vader verschil zou maken en navraag doet naar de omvang van de wachtlijst van een passende 24-uursvoorziening. Daarnaast is het van belang dat wordt gezocht naar een (deeltijd)woonvoorziening voor de kinderen waar zij samen naartoe zouden kunnen.
De kinderrechter verzoekt de GI om de rechtbank uiterlijk 14 oktober 2025 een briefrapportage te doen toekomen (met afschrift daarvan aan belanghebbenden) omtrent de huidige stand van zaken en hetgeen onder 5.4. en 5.5. is overwogen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/701260 / JE RK 25-1192
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 5 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Ten aanzien van C/10/675699 / FA RK 24-2088 en C/10/701260 / JE RK 25-1192
en alvorens verder te beslissen:
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de vader en zijn advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. S, Riege van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 21 oktober 2025 om 14:45 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
verzoekt de GI uiterlijk 14 oktober 2025 de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 1 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.