RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704303 / JE RK 25-1587
Datum uitspraak: 4 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. Aydogan-Kütük, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats]
[naam stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de spoedbeschikking van 31 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 2 augustus 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
De stiefvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen.
Omdat er voor [minderjarige] geen vervoer beschikbaar was, was hij niet aanwezig op de zitting. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de zitting [minderjarige] telefonisch naar zijn mening gevraagd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling] .
Bij beschikking van 29 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 29 juli 2026. Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 29 april 2026.
Bij beschikking van 31 juli 2025 is een spoedmachtiging van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 31 juli 2025 tot 14 augustus 2025 en het overige verzochte aangehouden.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij beschikking 31 juli 2025 is reeds beslist op de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twee weken. Thans dient beslist te worden op het verzoek tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 29 juli 2025.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft een stabiele plek nodig waar hij duidelijke grenzen krijgt en tot rust kan komen. Vanuit deze stabiele plek kan worden toegewerkt naar een vervolgplek of een thuisplaatsing. Voordat dat aan de orde is, moet eerst behandeling plaatsvinden. Tot nu toe is dit niet gelukt, met name vanwege de wachtlijsten en doordat de situatie telkens zo escaleert dat [minderjarige] een plek moet verlaten voordat behandeling kan starten. Het plan is om bij [naam instelling] te starten met behandeling en therapie, onder andere gericht op emotieregulatie. Ook bij [naam instelling] geldt echter een wachtlijst. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een aanmelding voor een vervolgplek bij Groot Emaus. Daarbij moet nog worden vastgesteld of het onderwijsaanbod daar aansluit bij de onderwijsbehoeften van [minderjarige] . Als dat niet het geval is, zal worden gezocht naar een andere passende plek, of – indien mogelijk na behandeling – een terugplaatsing naar huis. De GI verzoekt de machtiging te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Mocht de behandeling eerder worden afgerond en een passende plek beschikbaar zijn, dan kan [minderjarige] eerder worden doorgeplaatst. Een machtiging voor de duur van zes maanden is begrijpelijk, maar een machtiging voor slechts drie maanden is te kort om de behandeling op te starten en een passende vervolgplek te vinden. Daarnaast biedt drie maanden onvoldoende duidelijkheid en stabiliteit voor [minderjarige] .
4. Het standpunt van de moeder
De moeder stemt in met het verzoek. [minderjarige] was betrokken bij het criminele circuit, gebruikte drugs en dronk alcohol. Hij deed zoveel rare dingen; een open groep is daarom te gevaarlijk voor hem. [minderjarige] kan de vrijheid niet aan. Nu [minderjarige] bij [naam instelling] verblijft, is een duidelijk verschil zichtbaar. Er is veel meer rust in zijn gezicht en hij ziet er verzorgder uit.
5. Het standpunt van [minderjarige]
Namens [minderjarige] wordt verweer gevoerd. Primair wordt verzocht het verzoek af te wijzen. Bij het vorige verzoek tot gesloten plaatsing is dit ingetrokken omdat [minderjarige] heeft laten zien dat hij zich aan de regels kan houden. [minderjarige] heeft hiervoor structuur en duidelijkheid nodig en als hij dat krijgt is een gesloten plaatsing niet nodig. Wat betreft het incident van afgelopen week, geeft [minderjarige] aan dat dit voortkwam uit zelfverdediging. Mocht de machtiging tot gesloten plaatsing toch worden verleend, wordt verzocht deze voor een kortere duur toe te kennen, namelijk voor de duur van drie maanden. Een gesloten plaatsing is een ultimum remedium en dient zo kort mogelijk te zijn. [minderjarige] heeft handvatten nodig en binnen een korte periode kan veel bereikt worden. Bovendien kan een korte plaatsing een stimulans zijn voor hem om zijn best te doen.
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
[minderjarige] vertoont al vanaf jonge leeftijd zorgwekkend gedrag. Er is bij hem een verstandelijke beperking vastgesteld, evenals een achterstand op sociaal-emotioneel en adaptief gebied. Daarnaast zijn er kenmerken van trauma gerelateerde problematiek. Er bestaan ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en het gewelddadige gedrag dat [minderjarige] laat zien. In februari 2024 escaleerde de situatie, waarna hij in een crisisopvang werd geplaatst. Ook daar liep het na korte tijd uit de hand. Vervolgens is hij overgeplaatst naar de Hondsberg, maar ook daar werd hij vroegtijdig weggestuurd. Na een korte thuisplaatsing, die eveneens snel escaleerde met agressie vanuit [minderjarige] , volgden opnieuw een crisisplaatsing en daarna een overplaatsing naar Fidelity-zorg. Ook daar vonden meerdere incidenten plaats, waaronder herhaald fysiek geweld tegen begeleiders. Op 29 juli 2025 (in de avond) viel [minderjarige] wederom een begeleider aan, die daarbij ernstig letsel opliep. Naar aanleiding hiervan is de plaatsing bij Fidelity-zorg op 30 juli 2025 beëindigd. Op al deze locaties escaleerde de situatie binnen korte tijd, waardoor behandeling telkens niet van de grond is gekomen – mede door bestaande wachtlijsten. [minderjarige] toont geen zelfinzicht en begrijpt niet wat hij fout doet. Het is van belang dat dit patroon wordt doorbroken. [minderjarige] moet in een stabiele en gestructureerde omgeving verblijven waar duidelijke grenzen worden gesteld. Daar moet hij passende behandeling krijgen, onder meer gericht op emotieregulatie en het ontwikkelen van inzicht in zijn gedrag. Voordat [minderjarige] terug naar een open groep of naar huis kan, moet [minderjarige] behandeling krijgen en laten zien dat hij het kan. Het is aan hem om verantwoordelijkheid te nemen en zich in te zetten voor een positieve verandering.
Gelet op al het voorgaande kan de veiligheid van [minderjarige] – en de mensen om hem heen - niet worden gewaarborgd op een open groep. Daarom is een gesloten machtiging noodzakelijk. De instemmende verklaring van de gedragswetenschapper maakt dit evenzeer duidelijk. De kinderrechter ziet aanleiding de machtiging voor een kortere duur te verlenen, namelijk voor de duur van zes maanden en het overige verzochte aan te houden. De kinderrechter acht een termijn van drie maanden, zoals (de advocaat van) [minderjarige] heeft voorgesteld, te kort. In de komende periode moet namelijk nog veel gebeuren. Eerst moet [minderjarige] wennen binnen [naam instelling] , de behandeling moet nog van start gaan en er moet nog een passende vervolgplek gevonden worden.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 1 januari 2026 een briefrapportage te doen toekomen (met afschrift daarvan aan belanghebbenden) omtrent de huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 augustus 2025 tot 4 f februari 2026;
en alvorens verder te beslissen:
houdt de behandeling van het overige van het verzoek aan tot 1 januari 2026 pro forma;
bepaalt dat [minderjarige] , zijn advocaat, de moeder en de stiefvader op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de GI uiterlijk 1 januari 2026 de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2025 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.