RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/701059 / JE RK 25/1161 en C/10/668301 / FA RK 23-8061
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling, het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaken van
Ten aanzien van C/10/701059 / JE RK 25/1161
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en
Ten aanzien van C/10/668301 / FA RK 23-8061
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R.N. Baldew, kantoorhoudende in ‘s-Gravenhage,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan in C/10/701059 / JE RK 25/1161
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M.P. Kloppenburg, kantoorhoudende in Rotterdam,
de vader, voornoemd,
De kinderrechter merkt als informant aan in C/10/701059 / JE RK 25/1161
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan in C/10/668301 / FA RK 23-8061
de moeder, voornoemd.
In de adviserende en raadgevende rol in de procedure gekend, de Raad, voornoemd.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/701059 / JE RK 25/1161
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 juni 2025, binnengekomen bij de rechtbank 6 november 2023.
Ten aanzien van C/10/668301 / FA RK 23-8061
de beschikking van 5 december 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de brief van de Raad van 11 maart 2025;
het rapport van de Raad van 9 juni 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- de vader bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
Bij beschikking van 5 december 2025 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, inhoudende: ‘De minderjarige is bij de vader iedere woensdag van 09:00 tot 18:00 uur, waarbij de overdracht wordt begeleid door CoachPoint.’
3. De verzoeken
Ten aanzien van C/10/701059 / JE RK 25/1161
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] groeit op in een instabiele opvoedsituatie, veroorzaakt door de spanningsvolle relatie tussen haar ouders. Er is sprake van een patroon waarin ouders elkaar afstoten en aantrekken, wat gepaard gaat met veel ruzie. Hierdoor heeft [minderjarige] weinig en onregelmatig contact met haar vader. Er is in het verleden meermaals hulpverlening ingezet, maar deze beklijft onvoldoende. De GI moet de regie nemen. Wanneer een van de ouders het niet eens is met bepaalde hulp, kan de GI uiteindelijk beslissen wat in het belang van [minderjarige] is.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. De ontwikkelingsbedreiging blijkt uit het raadsrapport en wat ter zitting wordt gezegd. De GI kan meedenken en ondersteunen bij het inzetten van hulpverlening, maar het is uiteindelijk aan de ouders om het patroon te doorbreken. Ter overbrugging van de start van het omgangshuis kan de GI, indien nodig, de omgang begeleiden. Wanneer dit kan beginnen is nog onduidelijk
Door en namens de moeder wordt naar voren gebracht dat een voordeel van de ondertoezichtstelling is dat de omgang tussen [minderjarige] en haar vader begeleid kan worden. Ook kan de GI als buffer fungeren tussen de moeder en de vader. Tegelijkertijd blijkt uit het rapport dat het goed gaat met [minderjarige] , waardoor er twijfel bestaat of er daadwerkelijk sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. Daarnaast is niet gebleken dat [minderjarige] negatieve gevolgen heeft ondervonden van de escalaties. Tot nu toe is de hulpverlening vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: CJG) minimaal geweest. Het vrijwillige kader heeft daardoor nooit echt een kans gehad. Er zijn nu nieuwe medewerkers bij het CJG. Sindsdien gaat het beter.
Door en namens de vader wordt naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling gevoelsmatig niet nodig is. Toch staat de noodzaak daarvan wel op papier. Begeleiding zal zeker helpen. Er moet een traject starten om beter te leren communiceren in het belang van [minderjarige] .
Ten aanzien van C/10/668301 / FA RK 23-8061
De rechtbank begrijpt het verzoek van de vader zo, dat hij verzoekt te bepalen dat hij samen met de moeder wordt belast met het gezag over de minderjarige. Verder verzoekt de vader een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: zorg- dan wel omgangsregeling) vast te stellen waarbij de minderjarige bij de vader is:
iedere woensdag van 09:00 tot 19:00 uur en
om de twee weken in de even weken van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00;
tijdens de schoolvakanties in de even jaren gedurende de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, de herfstvakantie en de eerste week van de kerstvakantie en
tijdens de schoolvakanties in de oneven jaren gedurende de tweede week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie.
Door en namens de vader wordt het verzoek gehandhaafd, ondanks het advies van de Raad om de situatie over negen maanden opnieuw te beoordelen. Het is van belang dat de vader nu al gezag krijgt. De moeder moet leren omgaan met deze situatie en de ouders moeten leren samen beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Over negen maanden of later kan de ondertoezichtstelling – als die wordt toegewezen – mogelijk niet meer van kracht zijn. Als het gezag pas dan wordt toegekend, ontbreekt het toezicht op het verloop van het gezamenlijk gezag. Mocht het advies om eerst meer zicht te krijgen op de situatie bij de vader worden opgevolgd, is een periode van negen maanden te lang. In dat geval wordt verzocht om het verzoek aan te houden voor de duur van zes maanden. De zaak loopt al geruime tijd. Bovendien kan de omgang op korte termijn starten. Na zes maanden kan dan worden besproken hoe de omgang verloopt en hoe de communicatie tussen de ouders is. Tot slot is het van belang dat de vader op de hoogte wordt gehouden van de stand van zaken rondom [minderjarige] .
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. De moeder onderschrijft het advies van de Raad over zowel de omgang als het gezag. Ten aanzien van het gezag geldt dat eerst het parallel ouderschap en het omgangshuis van de grond moeten komen. De partnerrelatie moet worden omgevormd tot een ouderschapsrelatie. Pas daarna kan de gezagskwestie worden besproken. Wat betreft de omgang toont de moeder begrip voor de situatie van de vader en het feit dat het traject lang duurt. Als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, staat de moeder open voor begeleiding vanuit de GI. Daarnaast ontvangt zij hulp van ASVC, die ondersteuning kan bieden bij de omgang.
De Raad handhaaft het eerder gegeven advies. Op dit moment is het (nog) niet in het belang van [minderjarige] om een beslissing te nemen over het gezag of een definitieve omgangsregeling. Het is nu vooral belangrijk dat er contact is tussen [minderjarige] en haar vader. De aandacht van de vader moet gericht zijn op dit contact en niet op het nemen van beslissingen over [minderjarige] .
4. De beoordeling
Ten aanzien van C/10/701059 / JE RK 25/1161
Ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling. Deze ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de voortdurende strijd tussen de ouders, waarmee [minderjarige] wordt belast. Hoewel beide ouders het beste met [minderjarige] voor hebben, slagen zij er niet in om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. [minderjarige] groeit op in een situatie waarin sprake is van ernstige bedreigingen, alcoholgebruik en politiemeldingen. Hoewel zij zich vooralsnog goed lijkt te ontwikkelen is haar opvoedsituatie zeer zorgelijk en is de kans groot dat zich problemen zullen gaan voordoen als er niks verandert. Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] is het belangrijk dat zij op structurele en onbelaste wijze contact heeft met beide ouders. Het is dan ook zorgelijk dat de omgangsmomenten met de vader stagneren vanwege incidenten tussen de ouders.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks inzet van het CJG, Intensieve Hulpverlening en CoachPoint lukt het niet om de situatie te verbeteren. Afspraken worden niet nagekomen en de ouders volgen vaak hun eigen koers.
Gelet op het voorgaande is het van belang dat de GI betrokken raakt om de regie te nemen, de belangen van [minderjarige] te behartigen, de communicatie tussen de ouders te begeleiden en passende hulpverlening in te zetten. Daarom is de ondertoezichtstelling in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Voor de komende periode acht de kinderrechter het van belang dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] zo spoedig mogelijk opgestart wordt. De ouders zullen in het belang van [minderjarige] een stabiele opvoedsituatie moeten creëren, waarin [minderjarige] zich kan ontwikkelen zonder dat zij belast wordt met volwassenproblematiek. De GI zal hierbij de regie voeren en ondersteuning bieden, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de ouders. Zij moeten leren de overstap te maken van een ex-partnerrol naar een gezamenlijke ouderrol, in het belang van [minderjarige] .
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van C/10/668301 / FA RK 23-8061
Gezag
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
De kinderrechter stelt voorop dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is. Op dit moment bestaat echter (nog) een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem komt te zitten of verloren raakt tussen haar ouders. Ondanks gemaakte afspraken hebben de ouders soms toch contact; zij houden een patroon in stand waarin sprake is van heftige incidenten. Vanwege de nog spanningsvolle relatie tussen de ouders is het nu nog te vroeg om in te zetten op gezamenlijk ouderlijk gezag. Onder regie van de GI zal worden bekeken hoe de ouders hun onderlinge relatie kunnen verbeteren en hoe zij constructief met elkaar kunnen communiceren. Bovendien zal binnenkort begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] worden opgestart. Er staat dus nog veel te gebeuren, waarbij het herstel van het contact tussen vader en [minderjarige] nu de hoogste prioriteit heeft. Om deze reden houdt de rechtbank het verzoek van de vader aan voor de duur van zes maanden.
Omgangsregeling
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5. De vader heeft [minderjarige] sinds april niet meer gezien. Er is weinig tot geen contact tussen hen, waardoor het te vroeg is om een definitieve omgangregeling vast te stellen. Voor de tussenliggende periode zal de kinderrechter een voorlopige omgangsregeling vaststellen, inhoudende dat contactherstel plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] , onder begeleiding van het Rotterdamse Omgangshuis, of soortgelijke instantie, dan wel (aanvankelijk) onder begeleiding van de GI. Deze begeleide omgang dient onder regie van de GI waar mogelijk te worden uitgebreid, zodat het verloop daarvan kan worden afgewacht en zicht ontstaat op de situatie, waarna op het verzoek van de vader kan worden beslist. Om deze reden houdt de rechtbank het verzoek van de vader aan voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 25 augustus 2025 tot 25 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
bepaalt dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig zal zijn: begeleid contactherstel tussen de vader en [minderjarige] , zo nodig aanvankelijk onder begeleiding van de GI en vervolgens bij het Rotterdamse Omgangshuis, of soortgelijke instantie, waarbij deze omgang waar mogelijk geleidelijk wordt uitgebreid. De GI heeft hierin de regie;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot 1 maart 2026 pro forma;
bepaalt dat de Raad, de GI, de moeder, de vader en hun advocaten op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025 door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk griffier, en op schrift gesteld op 18 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.