RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704863 / JE RK 25-1661
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 2] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 3] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 augustus 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 22 augustus 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] bijgestaan door zijn advocaat;
de pleegmoeder;
twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting in het bijzijn van zijn advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter.
2. De feiten
Bij beschikking van 30 juli 2021 is de pleegmoeder belast met de voogdij over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft op de [gesloten groep] bij [zorgaanbieder] in [plaats 4] .
Bij beschikking van 28 november 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 december 2025.
Bij beschikking van 3 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 8 september 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier maanden.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De afgelopen periode zijn er stappen gezet en het gaat beter met [minderjarige] . Er is meer stabiliteit bij hem en in zijn netwerk, maar dat is nog onvoldoende voor terugkeer naar de pleegmoeder of een open groep. Er wordt nog gewerkt aan een duurzame situatie, maar het perspectief van [minderjarige] ligt bij de pleegmoeder thuis. Er lopen nog onderzoeken naar wat [minderjarige] nodig heeft, zoals de verklarende analyse, die zich richt op de gezinssituatie. Ook loopt het KSCD-onderzoek (diagnostiek). Dit wordt naar verwachting eind november afgerond. Daarnaast is het belangrijk dat er meer aandacht komt voor het hele systeem rondom [minderjarige] .
4. Het standpunt van [minderjarige]
Namens [minderjarige] wordt ingestemd met het verzoek, vooral omdat er nu stappen in de juiste richting zijn gezet. Dit is veranderd sinds de komst van de huidige jeugdbeschermer, waarvoor waardering wordt uitgesproken.
5. Het standpunt van de pleegmoeder
De pleegmoeder stemt in met het verzoek. Hoewel zij het liefst ziet dat [minderjarige] morgen terug naar huis komt, begrijpt de pleegmoeder dat dit pas mogelijk is wanneer alles zorgvuldig is gekaderd en geregeld. Het traject duurt lang en het geduld van de pleegmoeder is op de proef gesteld. Gelukkig heeft de nieuwe jeugdbeschermer een andere koers ingezet en concrete stappen ondernomen.
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
[minderjarige] verblijft sinds april 2024 op de gesloten groep van [zorgaanbieder] . Sinds het voorjaar van 2025 heeft hij vooruitgang geboekt en is zijn situatie stabieler geworden. Ook het netwerk rondom hem is rustiger geworden. Deze positieve ontwikkelingen zijn echter nog onvoldoende om op dit moment een terugplaatsing bij de pleegmoeder te realiseren, ook al is het perspectief bij haar bepaald. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat eerst een stevig fundament wordt gelegd om te voorkomen dat een te snelle thuisplaatsing leidt tot terugval. Bovendien zijn nog niet alle onderzoeken afgerond, zoals de verklarende analyse en het onderzoek van het KSCD. Ook moet aanvullende hulpverlening nog worden opgestart. Ter zitting is gebleken dat alle betrokken partijen het eens zijn dat [minderjarige] niet overhaast teruggeplaatst moet worden, zodat hij na deze periode op een stabiele manier kan terugkeren.
De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Een machtiging kan niet langer duren dan voor de duur van de ondertoezichtstelling. De machtiging wordt daarom verleend tot 8 december 2025. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 25 augustus 2025 tot 8 december 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025 door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 12 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.