RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709305 / KG ZA 25-1090
Vonnis in kort geding van 1 december 2025
in de zaak van
1. J.A. REKOERT BEHEER B.V.,
2. REKOERT MATERIEEL B.V.,
3. REKOERT BOORTECHNIEK B.V.,
4. REKOERT INFRA B.V.,
gevestigd te Geldermalsen,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: Rekoert c.s.,
advocaat: mr. E.C.M. Braun,
tegen
STRUIK ACCOUNTANTS B.V.,
gevestigd te Gorinchem,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Struik,
advocaat: mr. B.J. Hermans.
1. De zaak in het kort
Struik heeft accountantswerkzaamheden voor Rekoert c.s. verricht op basis van opdrachtovereenkomsten. Struik heeft deze overeenkomsten opgezegd wegens structureel achterblijvende betaling van haar facturen. Rekoert c.s. willen met dit kort geding bereiken dat Struik alsnog op korte termijn de samengestelde jaarrekening over 2023 oplevert. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af, omdat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn opgezegd. De tegenvordering van Struik tot betaling van bepaalde bedragen wordt ook afgewezen.
2. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 11 november 2025, met producties 1 tot en met 10;- de conclusie van antwoord met eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12;- producties 11 tot en met 14 van Rekoert c.s.;- de pleitnota van Rekoert c.s.
De mondelinge behandeling heeft op 19 november 2025 plaatsgevonden. Aan het eind van deze behandeling hebben partijen te kennen gegeven dat zij willen proberen in onderling overleg een regeling te treffen. Om partijen daartoe in de gelegenheid te stellen, is de zaak tot 24 november 2025 aangehouden. Rekoert c.s. hebben de voorzieningenrechter op 25 november 2025 bericht dat het hen niet is gelukt om een regeling te treffen en dat zij vonnis wensen. Het vonnis is vervolgens bepaald op heden.
3. De feiten
In november 2022 hebben Rekoert c.s. Struik de opdracht gegeven om hen te ondersteunen op administratief gebied en om de jaarrekeningen 2023 samen te stellen. In de opdrachtbevestigingen aan Rekoert c.s. voor laatstgenoemde opdracht is onder andere het volgende opgenomen:
“Bij een samenstellingsopdracht ondersteunen wij u bij het opstellen en presenteren van de jaarrekening in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor financiële verslaggeving.
(..)
Rapportage
Over de uitkomsten van onze werkzaamheden rapporteren wij aan u in de vorm van een samenstellingsverklaring bij de jaarrekening.
(..)
Honorarium
(..) Ons honorarium voor verrichte werkzaamheden zal maandelijks in rekening worden gebracht op basis van de voortgang daarvan. De betalingstermijn bedraagt 14 dagen.(..)”
De algemene voorwaarden van Struik zijn van toepassing verklaard op de overeenkomsten. In de algemene voorwaarden staat onder meer het volgende:
“Artikel 9. BETALING
(..)
3. Als Opdrachtgever niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn heeft betaald, is Opdrachtgever gehouden tot vergoeding van alle daadwerkelijk door Opdrachtnemer gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke (incasso)kosten. De vergoeding van de gemaakte kosten beperkt zich niet tot de eventueel door de rechter vastgestelde kostenveroordeling.”
(..)
Artikel 12. OPZEGGING
1. Opdrachtgever en Opdrachtnemer kunnen te allen tijde (tussentijds) de Overeenkomst onmiddellijk opzeggen zonder inachtneming van een opzegtermijn door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. Als de Overeenkomst eindigt voordat de Opdracht is voltooid, is Opdrachtgever het honorarium verschuldigd overeenkomstig de door Opdrachtnemer opgegeven uren voor Werkzaamheden die ten behoeve van Opdrachtgever zijn verricht.(..)”
Op 26 april 2024 heeft een medewerker van Struik per e-mail vragen gesteld aan een medewerker van Rekoert Boortechniek ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening 2023. Deze vragen zijn op 30 april 2024 beantwoord. Op 3 september 2024 zijn nogmaals vragen gesteld. Deze vragen zijn in een gesprek op 18 september 2024 bij Struik op kantoor besproken, waarna Rekoert c.s. de vragen heeft beantwoord.
Vanaf het begin van de werkzaamheden van Struik heeft Rekoert c.s. facturen van Struik niet tijdig voldaan.
Op 5 juni 2024 e-mailt Struik het volgende aan Rekoert c.s.:
“Wij zijn hard aan het werk om 2023 op te stellen. Ik begrijp echter dat de betaling wat achterloopt. Is het mogelijk om hierover even te overleggen?
Hier hebben we te maken met 2 langdurig zieken, dure in huur en raakt het ook direct mijn cashflow als betalingen achterblijven. Hierdoor is het lastig om nu het jaarwerk verder op te pakken als er onzekerheid is over wanneer er betaald wordt. Als we dat in overleg kunnen doen komt het vast goed. Hoor graag even van je.”
Vanaf oktober 2024 heeft Struik opnieuw aandacht gevraagd voor achterblijvende betalingen.
Vanaf 1 januari 2025 heeft Struik geen werkzaamheden meer voor Rekoert c.s. verricht. Begin 2025 hebben Rekoert c.s. de toegang van Struik tot het boekhoudsysteem ingetrokken.
Op 1 juli 2025 heeft Struik Rekoert c.s. gedagvaard voor de betaling van de openstaande facturen van € 17.579,19 over de periode augustus 2024 tot en met januari 2025, te vermeerderen met rente en kosten. Rekoert c.s. hebben zich op 10 september 2025 verweerd tegen de vorderingen. Rekoert c.s. hebben na het uitbrengen van de dagvaarding een bedrag van € 15.592,98 betaald.
4. Het geschil
in conventie
Rekoert c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Struik te bevelen om de definitieve en geconsolideerde jaarrekeningen 2023 uiterlijk op 30 november 2025 te leveren aan Rekoert c.s., die voldoen aan de vereisten zoals gecontracteerd eind 2022, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 50.000,- ineens en een dwangsom van € 5.000,- per dag dat Struik in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,-;
II. Struik te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.
Struik voert verweer. Struik concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van Rekoert c.s., met veroordeling van Rekoert c.s. in de proceskosten.
in reconventie
Struik vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Rekoert c.s. hoofdelijk te veroordelen een bedrag van € 21.798,34 aan Struik te betalen, samen met de rente vanaf 17 juni 2025 tot de dag der algehele voldoening voor de openstaande bedragen in de bodemprocedure en de rente vanaf 14 november 2025 tot de dag der algehele voldoening voor de advocaatkosten;
II. Rekoert c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Rekoert c.s. voeren verweer. Rekoert c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Struik, met veroordeling van Struik in de proceskosten.
5. De beoordeling
in conventie
Rekoert c.s. hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
Rekoert c.s. stellen dat zij een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, omdat zij al enige tijd in onderhandeling zijn met een andere vennootschap die een deel van Rekoert c.s. wil overnemen. Deze vennootschap wil de jaarrekening uiterlijk 30 november 2025 ontvangen, omdat de aandelenoverdracht op uiterlijk 31 december 2025 anders geen doorgang kan vinden. Daarnaast voldoen Rekoert c.s. op dit moment niet aan de wettelijke deponeringsverplichtingen met betrekking tot de jaarrekeningen 2023. Het spoedeisend belang is daarmee voldoende gegeven. Struik heeft het spoedeisend belang overigens ook niet betwist.
Struik heeft de overeenkomsten van opdracht opgezegd
Struik voert als meest verstrekkende verweer aan dat zij de overeenkomsten van opdracht bij brief van 19 december 2024 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Struik stelt dat er door deze opzegging geen (contractuele) grondslag is voor de door Rekoert c.s. ingestelde vordering. Dit verweer slaagt. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
Struik stelt de overeenkomsten van opdracht bij brief van 19 december 2024 met onmiddellijke ingang te hebben opgezegd op grond van artikel 12 lid 1 van haar algemene voorwaarden. Rekoert c.s. heeft de ontvangst van deze brief betwist. Ter zitting is echter gebleken dat de brief per e-mail naar de correcte e-mailadressen van de [naam functie] van Rekoert c.s. en haar bedrijfsleider, de heer [persoon A] , is verzonden. Voor dit kort geding betekent dit dat moet worden aangenomen dat de opzeggingsbrief wel degelijk is verstuurd en door Rekoert c.s. is ontvangen. Hiermee heeft de opzegging het beoogde rechtsgevolg gekregen (artikel 3:37 lid 3 BW). Dat Rekoert c.s. vervolgens niets met deze e-mail/brief hebben gedaan, doet aan de opzegging van de overeenkomsten niet af.
Rekoert c.s. wijzen erop dat een overeenkomst van opdracht die door volbrenging eindigt op grond van artikel 7:408 lid 2 BW niet kan worden opgezegd behoudens gewichtige redenen. De overeenkomst met betrekking tot de jaarrekening 2023 heeft betrekking op een opdracht die pas eindigt als die jaarrekening is opgeleverd. Van gewichtige redenen is geen sprake en dus kon Struik volgens Rekoert c.s. de overeenkomst niet rechtsgeldig opzeggen. Dit verweer slaagt niet. De regeling van artikel 7:408 lid 2 BW is van regelend recht (vergelijk artikel 7:413 BW). Partijen konden dus van de wettelijke regeling afwijken en hebben dat ook gedaan door overeen te komen dat zij de overeenkomsten met onmiddellijke ingang mogen opzeggen.
Het voorgaande betekent dat Struik de overeenkomsten van opdracht in beginsel rechtsgeldig heeft opgezegd. Daarvan uitgaande is er in beginsel geen contractuele relatie meer tussen partijen en rust op Struik geen verplichting om de jaarrekeningen 2023 van Rekoert c.s. samen te stellen en aan te leveren. Hieraan doet niet af dat Rekoert c.s. er eind december 2024 nog vanuit gingen dat Struik de werkzaamheden ten behoeve van de jaarrekening 2023 zou afronden.
Geen nadere eisen aan de opzegging op grond van redelijkheid en billijkheid
Ook als de overeenkomst voorziet in een mogelijkheid tot opzegging, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden meebrengen dat aan die opzegging nadere eisen gesteld worden. Het gebruik van een contractuele opzeggingsmogelijkheid kan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Mogelijk willen Rekoert c.s. betogen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat in dit geval Struik niet met onmiddellijke ingang tot opzegging van de overeenkomsten kon overgaan of dat die opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat standpunt slaagt niet vanwege het navolgende.
Vast staat dat Rekoert c.s. vanaf het begin van de samenwerking zeer slecht van betalen waren. Struik heeft onbetwist aangevoerd dat Rekoert c.s. slechts één van de facturen op tijd hebben betaald. Betalingsherinneringen hadden geen effect. Struik heeft Rekoert c.s. er in juni 2024 (zie 3.5) al op gewezen dat Rekoert c.s. structureel haar betalingsverplichtingen niet nakwamen en dat dit Struik in de problemen bracht. Hoewel Rekoert c.s. op 30 juli 2024 de op dat moment openstaande facturen hebben voldaan, betaalden Rekoert c.s. na deze datum de facturen van Struik wederom niet binnen de overeengekomen betalingstermijn. Uit (de bijlagen bij) de opzegbrief van Struik van 19 december 2024 blijkt dat Rekoert c.s. facturen van onder meer augustus en september 2024 onbetaald hebben gelaten. Rekoert c.s. verkeerden dus al maanden in verzuim (artikel 6:83 onder a BW). Gelet op deze gang van zaken konden Rekoert c.s. in redelijkheid verwachten dat voor Struik op enig moment de maat vol was. Zij hebben als het ware over zichzelf afgeroepen dat Struik gebruik zou maken van haar contractuele bevoegdheid tot onmiddellijke opzegging.
Rekoert c.s. stellen hier tegenover dat juist Struik in verzuim is komen te verkeren, omdat zij de jaarrekeningen 2023 niet, zoals overeengekomen, in maart 2024 heeft opgeleverd. Subsidiair stellen Rekoert c.s. dat als partijen geen termijn voor nakoming zouden zijn overeengekomen, Rekoert c.s. terstond nakoming konden vorderen en dat hebben zij vanaf maart 2024 ook gedaan. Struik betwist dat is afgesproken dat zij de jaarrekeningen 2023 in het eerste kwartaal van 2024 zou opleveren, dat Rekoert c.s. haar in maart 2024 telefonisch hebben verzocht de jaarrekeningen op te leveren en nadien telefonisch hierop hebben aangedrongen. Struik stelt dat Rekoert c.s. voor het eerst in oktober 2024 verzochten om toezending van de jaarrekeningen.
Rekoert c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat partijen voor de oplevering van de jaarrekeningen een fatale termijn zijn overeengekomen. Uit de overeenkomsten van opdracht is geen fatale termijn voor oplevering op te maken. Dat partijen geen fatale termijn hebben afgesproken, vindt steun in latere gebeurtenissen. In de in 3.3 genoemde mailwisseling vraagt Struik eind april 2024 aanvullende informatie op ten behoeve van het opmaken van de jaarrekeningen. Rekoert c.s. reageerden inhoudelijk op deze e-mail, maar hebben daarin niet benoemd dat Struik de jaarrekening al lang gereed had moeten hebben. De voorzieningenrechter concludeert dat een fatale termijn niet is overeengekomen, zodat Struik niet door het verstrijken daarvan in verzuim is geraakt.
Ook het subsidiaire standpunt van Rekoert c.s. kan niet leiden tot de conclusie dat Struik in verzuim is geraakt. Dat Rekoert c.s. mogelijk terstond nakoming hebben kunnen verlangen (artikel 6:38 BW), betekent niet dat Struik vervolgens in verzuim is geraakt. Daarvoor zou een ingebrekestelling nodig zijn geweest (artikel 6:82 BW). Gesteld noch gebleken is dat Struik in gebreke is gesteld. Mocht het zo zijn dat uit enige verklaring van Rekoert c.s. toch zou moeten worden afgeleid dat dit als ingebrekestelling begrepen had moeten worden, dan geldt dat dit niet eerder is gebeurd dan nadat Rekoert c.s. zelf al in verzuim waren geraakt. Als gevolg daarvan was Struik bevoegd de nakoming van haar verbintenissen op te schorten (artikel 6:52 BW), waartoe zij ook is overgegaan. Het gevolg daarvan is dat de verbintenis van Struik niet langer opeisbaar was, zodat Struik niet in verzuim kon geraken en Rekoert c.s. niet bevoegd waren om hun verbintenis tot betaling op te schorten.
Het verweer van Rekoert c.s. over opschorting en verzuim plaatst de opzegging door Struik dus niet in een ander daglicht.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel
Hoewel Rekoert c.s. een zwaarwegend belang hebben bij het verstrekken van de jaarrekeningen door Struik, brengt dit niet mee dat van haar zonder grondslag daartoe gehouden te zijn, en op zeer korte termijn, verlangd kan worden de jaarrekeningen 2023 samen te stellen en op te leveren op een bepaalde datum. De voorzieningenrechter weegt mee dat Struik heeft aangevoerd dat zij op dit moment onvoldoende grondslag heeft om de jaarrekeningen samen te stellen vanwege ontbrekende informatie ten behoeve van de waarderingsgrondslagen en dat zij daardoor de vordering ook niet kan nakomen.
Al het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering in conventie.
Rekoert c.s. worden veroordeeld in de proceskosten in conventie
Rekoert c.s. worden in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Struik worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
Struik vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 21.798,34. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
De vordering van Struik bestaat uit een aantal componenten. Struik vordert – na de in 3.8 genoemde betaling – een bedrag van € 4.803,74, vermeerderd met het griffierecht van € 1.461,- en de deurwaarderskosten van € 119,40 ten behoeve van de bodemprocedure. Niet gesteld of gebleken is dat Struik een spoedeisend belang bij deze vordering heeft. Struik heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de uitkomst van de bodemprocedure waarin zij deze bedragen ook vordert, niet kan afwachten.
Daarnaast vordert Struik een bedrag van € 15.414,20 als vergoeding van volledige advocaatkosten. Struik legt artikel 9 lid 3 van de algemene voorwaarden aan deze vordering ten grondslag. Rekoert c.s. voeren aan dat de bepaling uit de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend en daardoor vernietigbaar is. Rekoert c.s. doen een beroep op vernietiging van deze bepaling.
De voorzieningenrechter overweegt dat Struik de spoedeisendheid bij dit deel van de vordering ook niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast is van een harde vordering geen sprake. Partijen twisten immers over de vraag of het beding in de algemene voorwaarden waar Struik zich op beroept als onredelijk bezwarend kan worden aangemerkt. Een beding is op grond van artikel 6:233 sub a BW vernietigbaar indien het gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (Rekoert c.s.). Het standpunt van Rekoert c.s. hierover is niet bij voorbaat kansloos. Nu partijen zich hierover onvoldoende hebben uitgelaten, is zonder nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet te bepalen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft op dit punt. Van een voldoende harde vordering om in kort geding te kunnen toewijzen, is dus geen sprake. De vordering in reconventie wordt afgewezen.
Struik wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie
Struik krijgt in reconventie ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rekoert c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat
€
553,50
(factor 0,5 × 1.107,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
731,50
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vordering van Rekoert c.s. af,
veroordeelt Rekoert c.s. c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Rekoert c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
wijst de vordering van Struik af,
veroordeelt Struik in de proceskosten van € 731,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Struik niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025. 3608/1980