Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.019255.23
Datum uitspraak: 10 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. P.R. van de Water, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. X.C. van Balen heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde met betrekking tot het bezit van de revolver van het merk Hopkins & Allen en het bezit van de revolver van het merk Smith & Wesson niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het overig ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 19 januari 2023 te Dordrecht en/of te Rhoon,
meerdere wapens of een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1
van de Wet wapens en munitie,
te weten
(in een auto)
drie, althans een of meer vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in
de vorm van een
- pistool van het merk/type Fn Browning 1922, kaliber 7.65 mm en/of
- een revolver van het merk/type Hopkins & Allen Xl No 8, kaliber 44 rf, en/of
- een revolver van het merk/type Smith & Wesson Model 3, kaliber .44
en/of
(in zijn woning)
een geweer van het merk/type Baikal T03, kaliber .22,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte heeft een antiek pistool aan zijn collega’s getoond, naar eigen zeggen om ze te imponeren. Hoewel dat pistool onklaar gemaakt was, was de verdachte niet (meer) in het bezit van het vereiste certificaat van neutralisatie. Bij de doorzoeking van de ouderlijke woning, waar verdachte woonde, is bovendien een jachtgeweer aangetroffen. Dat geweer bleek een erfstuk, maar functioneerde nog goed. Aan het legale bezit van vuurwapens worden zeer strenge eisen gesteld, ook wanneer deze onklaar gemaakt zijn. De verdachte heeft hierin met onvoldoende zorgvuldigheid gehandeld.
De verdachte heeft blanco justitiële documentatie. De verdachte heeft direct uitvoerig en naar waarheid verklaard over de oorsprong van de wapens en heeft er ook direct afstand van gedaan. Ook tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte zich positief en meewerkend opgesteld.
De reclassering heeft twee rapporten over de verdachte uitgebracht, gedateerd 20 januari 2023 en 21 juni 2025. Ook is ter terechtzitting mevrouw [persoon A] van de reclassering als deskundige gehoord. Zij heeft de verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis begeleid. Daarnaast is de verdachte gediagnosticeerd bij De Waag. Uit de rapporten, de diagnose en de verklaring van de deskundige komt naar voren dat de verdachte lijdt aan een autismespectrumstoornis. De verdachte is lange tijd gesteund en verzorgd door zijn ouders. Sinds hun overlijden wordt de verdachte gesteund door zijn broer en zus. Uit de rapporten en uit de verklaringen van de deskundige ter terechtzitting is gebleken dat de beslissing van de verdachte om wapens buitenshuis te tonen en zijn onzorgvuldigheid met betrekking tot het vereiste certificaat in aanzienlijke mate voortkomen uit genoemde autismespectrumstoornis. Met de raadsman van de verdachte en de deskundige is de rechtbank van oordeel dat dit een eenmalige inschattingsfout is geweest van de verdachte en dat hij al erg te lijden heeft gehad onder zowel de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, als de (te) lange wachttijd tot de zaak inhoudelijk kon worden behandeld. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte, zal de rechtbank in strafmatigende zin sterk afwijken van de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal afzien van het opleggen van een gevangenisstraf van een langere duur dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur opleggen. De rechtbank zal de proeftijd daarbij beperken tot een jaar, nu verdachte na dit voorval niet meer in aanraking met politie of justitie is gekomen.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn (die in deze zaak twee jaar bedraagt) met bijna tien maanden overschreden. De duur en de aard van de straf lenen zich echter niet voor matiging. Daarom zal worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 47 HGEU en artikel 6, eerste lid, EVRM.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
heft op de voorlopige hechtenis van de verdachte, zoals bij eerder bevel geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. C.M. Derijks en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. Speelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 19 januari 2023 te Dordrecht en/of te Rhoon,
meerdere wapens of een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1
van de Wet wapens en munitie,
te weten
(in een auto)
drie, althans een of meer vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in
de vorm van een
- pistool van het merk/type Fn Browning 1922, kaliber 7.65 mm en/of
- een revolver van het merk/type Hopkins & Allen Xl No 8, kaliber 44 rf, en/of
- een revolver van het merk/type Smith & Wesson Model 3, kaliber .44
en/of
(in zijn woning)
een geweer van het merk/type Baikal T03, kaliber .22,
voorhanden heeft gehad.