RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11581243 CV EXPL 25-987
datum uitspraak: 4 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier gerechtsdeurwaarders & incasso,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Dordrecht,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
2. Het geschil
VGZ stelt dat [gedaagde] een bedrag van € 6.168,14 aan haar was verschuldigd, hiervan heeft een bedrag van € 4.376,86 betrekking op onbetaalde premies (maanden juli, augustus en december 2017, januari en september tot en met december 2018, januari, april, juli tot en met september 2019, november en december 2019, januari, februari, april, mei, juli tot en met oktober 2020, augustus, oktober en december 2021, februari, maart, juli, september en oktober 2022, januari, april, juli en oktober 2023 en augustus 2024) en het restant op het eigen risico, de eigen bijdrage en administratiekosten over de periode van 18 juli 2017 tot en met 6 oktober 2023).
Verder berekent VGZ een bedrag van € 459,94 aan verschenen rente tot 3 februari 2025 en een bedrag van € 436,99 aan buitengerechtelijke incassokosten. Op het totaal wordt in mindering gebracht € 3.960,45, het totaal van de door [gedaagde] gedane betalingen zodat een hoofdsom van € 3.104,62 resteert. Om haar moverende redenen beperkt VGZ haar vordering tot een totaal bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. VGZ doet uitdrukkelijk afstand van haar rechten met betrekking tot het meerdere.
VGZ legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] haar betalingsverplichting dient na te komen.
[gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de vordering. Volgens haar is zij de met de gemachtigde van VGZ overeengekomen betalingsregeling nagekomen tot en met december 2024. Nadat zij erachter kwam dat de machtiging voor de bank voor deze regeling abusievelijk was afgelopen, heeft zij direct een nieuwe regeling getroffen met de gemachtigde VGZ en betaalt zij weer maandelijks een termijn. Er is door haar veel meer betaald dan VGZ in mindering brengt.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 1.857,69 aan hoofdsom toe, te vermeerderen met rente. De gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3. De beoordeling
Op grond van de zorgovereenkomst met VGZ moet [gedaagde] de overeengekomen premie en overige genoemde kosten aan VGZ betalen.
[gedaagde] betwist niet dat er oorspronkelijk (dus nog voordat er afbetaald werd) een totaalbedrag € 6.168,14 openstond zodat van de juistheid hiervan wordt uitgegaan.
De dagvaarding is op 20 februari 2025 uitgebracht nadat Inkassier op 11 september 2024 de zogeheten 14-dagen brief heeft verstuurd aan [gedaagde]. Bij die brief zit een ‘opbouw en specificatie van de vordering’. Volgens deze specificatie heeft [gedaagde] tot en met 23 augustus 2024 betalingen voor een totaal van € 3.760,45 gedaan. In eerste instantie leek het om een verkeerde berekening te gaan, maar nadat VGZ in haar laatste akte heeft uiteengezet dat de bedragen die weliswaar onder het kopje ‘betalingen’ staan maar waar geen minnetje achter staat correcties betreffen en dus geen betalingen is de opbouw van de hoofdsom inzichtelijk geworden. Op het totaal aan betalingen (€ 2.760,- (9 x 40), € 450,-
(9 x 50), € 1,60 (2 x 0,80), € 14,53, € 52,94, € 106,17, € 26,94, € 23,99, € 1,50, € 142,30,
€ 5,50, € 108,-, € 38,70, € 10,-, € 84,45 en € 124,45) ad € 3.951,07 worden de volgende vier bedragen als zijnde een correctie in mindering gebracht: € 84,45, € 52,94, € 14,53 en
€ 38,70 zodat het totaal aan betalingen in dit overzicht een bedrag is van € 3.760,45. Bij dit bedrag worden vervolgens de termijnbetalingen over de periode van september 2024 tot en met december 2024 (4 x € 50,-) opgeteld zodat er in totaal voor het uitbrengen van de dagvaarding € 3.960,45 is betaald.
Volgens productie 4 bij de laatste akte van VGZ is er nog meer betaald, namelijk in de periode februari 2025 tot en met juli 2025 is zeven keer € 50,- betaald zodat een hoofdsom van € 1.857,69 (€ 6.168,14 -/- € 3.960,45 -/- € 350,-) resteert en zal worden toegewezen. Omdat [gedaagde] de eerder afgesproken betalingsregeling in januari 2025 niet is nagekomen, is het geheel opeisbaar geworden.
Het gevorderde bedrag aan verschenen rente zal niet worden toegewezen omdat een lagere hoofdsom wordt toegewezen dan gevorderd. Wel zal wettelijke rente worden toegewezen over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf 1 juli 2017 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald omdat VGZ genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
Inkassier heeft in de brief van 11 september 2024 [gedaagde] aangemaand de resterende hoofdsom binnen 2 weken te voldoen en haar rente en buitengerechtelijke kosten aan te zeggen. Volgens [gedaagde] heeft in die periode conform de overeengekomen betalingsregeling(en) termijnen overgemaakt. Dit strookt met eerder genoemde productie 4 waaruit volgt dat [gedaagde] sinds februari 2018 tot en met december 2024 maandelijks een termijn over heeft gemaakt.
Zonder uitleg door VGZ, die dus ontbreekt, gaat de kantonrechter ervan uit dat de betalingsregeling toen nog liep, [gedaagde] betaalde immers maandelijks. Er bestond dan ook geen grond [gedaagde] aan te manen voor het gehele openstaande bedrag zodat zij geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kantonrechter is van oordeel dat VGZ te snel tot dagvaarden is overgegaan. Het klopt weliswaar dat er in de maand januari 2025 geen termijn is betaald, maar [gedaagde] heeft dit hersteld. Vanaf 24 februari 2025 wordt er weer maandelijks € 50,- betaald, in februari zelfs twee termijnen.
Hoewel VGZ in haar recht staat iemand te dagvaarden als een betalingsregeling niet (meer) nagekomen wordt en daarmee is komen te vervallen siert het haar in dit geval niet dat zij niet eerst een herinnering heeft gestuurd in plaats van gelijk een dagvaarding uit te brengen en [gedaagde] op kosten te jagen. [gedaagde] betaalde immers al bijna zes jaar wel maandelijks.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 1.857,69 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 februari 2025 tot aan de dag van algehele betaling;
compenseert de proceskosten;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken.
745