Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 3 december 2025
[naam verzoeker] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres te Rotterdam,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 28 oktober 2025 een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid Faillissementswet (Fw) ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. Verzoeker heeft daarbij ook een verzoekschrift ex artikel 15b Fw in samenhang met artikel 284 Fw ingediend.
Aangezien verzoeker bij voornoemd verzoek ook een verzoek tot opheffing van zijn faillissement heeft ingediend onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (het omzettingsverzoek), heeft de rechtbank Rotterdam in haar beschikking van 29 oktober 2025 het verzoek ex artikel 287b, eerste lid Fw gelezen als een verzoek ex artikel 287, vierde lid Fw.
In deze beschikking van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank Rotterdam de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 november 2025. De rechtbank heeft de zaak door onvoorziene omstandigheden verplaatst en de behandeling van het verzoekschrift bepaalt op
26 november 2025.
Ter zitting van 26 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
In haar beschikking van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek gelezen als een verzoek ex artikel 287, vierde lid Fw, welk verzoek ertoe strekt om verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op het omzettingsverzoek zal zijn beslist. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn (schulden)problematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij schuldhulpverlening. Verzoeker ontvangt op dit moment een uitkering op grond van de Participatiewet. Deze uitkering ontvangt hij vanaf (in ieder geval) mei 2025. Omdat verzoeker geen eigen bankrekening heeft, heeft hij vanuit de gemeente een pas gekregen waarop zijn uitkering wordt overgemaakt. Verzoeker kan geen eigen rekening openen vanwege zijn faillissement en problemen met de bank. Hij heeft zich onder meer daarvoor gemeld bij de curator, maar die geeft niet thuis omdat hij nog bezig zou zijn met een onderzoek in het faillissement, aldus verzoeker. Aangezien verzoeker geen bankrekening heeft, is het verzoek voor woonkostentoeslag ook afgewezen.
Verder heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat de lopende huurtermijnen op dit moment niet worden betaald. Hij heeft niet genoeg inkomsten om deze te voldoen. Verzoeker heeft daarnaast een inwonende dochter van 26 jaar. Zij heeft inkomsten uit arbeid. Hoewel zij financieel wel bijdraagt in het huishouden, betaalt ook zij de huur niet. Zij heeft daar niet genoeg inkomen voor. Per januari 2026 zou verzoeker wel een baan kunnen hebben, met een salarisindicatie van € 3.000,00 bruto. Ook zou hij geld kunnen lenen bij zijn familie ter overbrugging.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster zou openstaan voor een oplossing, indien voldoende gewaarborgd was dat de lopende huurtermijnen zouden worden voldaan. Het inkomen van verzoeker is echter onvoldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Dat verzoeker ter zitting aangeeft dat hij mogelijk per januari 2026 een baan heeft en mogelijk geld kan lenen bij familie, maakt het voorgaande niet anders. Het is namelijk onzeker in hoeverre dit daadwerkelijk zal plaatsvinden. Ook zijn de huurpenningen al sinds juni 2024 niet meer voldaan. Het betreft dan ook een aanzienlijke huurachterstand. Voordat het faillissement was uitgesproken, betrof de huurachterstand € 9.584,00. De huurachterstand bedraagt nu € 17.110,69.
4. De beoordeling
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw ingediend. Het door verzoeker onderliggende verzoek betreft een omzettingsverzoek ex artikel 15b Fw, met daarbij een verzoek ex artikel 284 Fw. In haar beschikking van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek ex artikel 287b, eerste lid, Fw al gelezen als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw en een datum voor een inhoudelijke behandeling bepaald. Gelet op dit reeds gegeven oordeel zal de rechtbank het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen.
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van het exploot van 14 oktober 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het omzettingsverzoek in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het vonnis van 12 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen worden al zeer geruime tijd niet voldaan en deze worden op dit moment nog steeds niet voldaan. Verzoeker heeft daarbij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de komende maanden wel voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen wel te betalen. Het inkomen van verzoeker bestaat uit een uitkering op grond van de Participatiewet. Dit inkomen is onvoldoende om de vaste lasten, waaronder de lopende huurtermijnen van € 1.145,07 te kunnen voldoen. Ook is de door verzoeker aangevraagde woonkostentoeslag afgewezen en heeft volgens verzoeker zijn meerderjarige dochter onvoldoende inkomsten om de huur (samen) te betalen. Dat verzoeker ter zitting heeft aangegeven dat hij bij familie geld kan lenen en per januari 2026 wellicht een baan kan hebben, maakt het voorgaande niet anders. Dat daarvan daadwerkelijk sprake is, is namelijk niet gebleken. Verzoeker heeft geen zekerheid gegeven met betrekking tot de betaling van de lopende huurtermijnen. Van een stabiele financiële situatie met voldoende waarborgen is dan ook geen sprake. Bovendien staat vast dat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand en heeft de verhuurder er belang bij dat de huurachterstand niet nog verder oploopt.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verweerster daarom zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 3 december 2025 gegeven door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier.