Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 3 december 2025
[verzoeker] ,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 10 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 287a Fw en een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 november 2025.
Ter zitting van 26 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank stukken toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat bedoeld is een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw in te dienen om verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op het verzoek tot toepassing van een gedwongen schuldregeling ex artikel 287a Fw dan wel het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal zijn beslist. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Verzoeker heeft zich begin 2025 gemeld bij de gemeente voor hulp bij zijn schulden. De schulden van verzoeker zijn ontstaan nadat zijn onderneming failliet is gegaan. Verzoeker kampte daarnaast met een verslaving en zat heel erg in de knoop met zichzelf. Voor de verslaving is hij in behandeling geweest bij Antes. Verzoeker is ondertussen van zijn verslaving af. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet, aangevuld met huur- en zorgtoeslag. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de verschuldigde huur van € 888,72 per maand te voldoen. Er is sprake van budgetbeheer. De verschuldigde huur voor de maanden juli 2025 tot en met november 2025 is al door schuldhulpverlening voldaan. Rond 28 november 2025 zal de verschuldigde huur voor de maand december 2025 worden voldaan.
In reactie op verweerder heeft verzoeker nog ter zitting verklaard dat hij niet weet hoe de schade aan de woning is ontstaan. Verder heeft hij alleen aan verweerder te kennen gegeven de sleutel in te leveren, omdat hij op dat moment niet wist wat hij moest doen aan de situatie waarin hij toen verkeerde. Vervolgens heeft hij deze situatie wel gemeld bij schuldhulpverlening.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting nog verklaard dat verzoeker aanvankelijk niet wist dat hij bij de gemeente Rotterdam ook terecht kon met zijn problemen omtrent de ontruiming van de woning. De huurachterstand en de ontruiming zijn door verzoeker weliswaar laat gemeld, maar het minnelijk traject verloopt verder goed. Verzoeker doet zijn best. Inmiddels is ook een verzoek dwangakkoord en een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de rechtbank ingediend.
3. Het verweer
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Voordat verweerder een procedure voor ontbinding en ontruiming heeft opgestart, is een melding gedaan bij de gemeente. Als reactie op deze melding heeft verweerder vanuit de gemeente Rotterdam een e-mail ontvangen waarin staat dat verzoeker niet bereikbaar is en geen hulp wilde. Verweerder heeft toen een procedure opgestart met het ontruimingsvonnis als resultaat. Aangezien verzoeker daarna opeens wel schuldhulp wou, is verweerder in gesprek gegaan met verzoeker om verdere kosten te voorkomen. Verzoeker heeft toen toegezegd de woning op 31 oktober 2025 te zullen verlaten. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Verzoeker gedraagt zich niet als een goed huurder. Er is niet alleen sprake van een huurachterstand, maar er is ook schade aan de woning.
4. De beoordeling
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van het exploot van 27 oktober 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 11 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerder anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerder bestaat eruit dat hij het vonnis van 30 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Ten aanzien van het verweer inzake de schade, oordeelt de rechtbank dat dit niet meegewogen kan worden in de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank neemt immers als uitgangspunt het ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 30 september 2025. In dit vonnis is bepaald dat enkel de betalingsachterstand ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. In dit vonnis is schade niet als grond opgenomen voor de ontbinding.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet, aangevuld met huur- en zorgtoeslag. Dit inkomen is voldoende om de verschuldigde huur te betalen. Gelet op de lopende schuldhulpverlening en komende procedures leidt de toezegging van verzoeker dat hij de woning uiterlijk 31 oktober 2025 zou verlaten niet zonder meer tot afwijzing van het verzoek. Daar komt bij dat sprake is van budgetbeheer, waarmee wordt gewaarborgd dat verzoeker de lopende termijnen zal blijven voldoen. Sinds juli 2025 is de verschuldigde huur ook door schuldhulpverlening voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting toegezegd dat de huur voor de maand december 2025 rond 28 november 2025 zal worden voldaan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat op voorhand niet onaannemelijk is dat verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten.
Het verzoek tot toepassing van een gedwongen schuldregeling ex artikel 287a Fw en het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bovendien op 14 januari 2026 om 11:30 uur – en derhalve op korte termijn – door de rechtbank worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw. Verzoeker zal bij afzonderlijk schrijven voor deze behandeling worden opgeroepen.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verzoeker daarom zwaarder te wegen dan het belang van verweerder. De verzochte voorziening zal worden toegewezen, waarbij in het belang van verweerder zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.
5. De beslissing
De rechtbank:
- verbiedt verweerder, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan de:
[adres]
[postcode] [woonplaats] ;
Deze beschikking is op 3 december 2025 gegeven door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier.