RECHTBANK Rotterdam
Team Handel & Haven
binnenschip “Levante” (zakenfonds)
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705067 / HA RK 25-810
Beschikking van 27 november 2025
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEVANTE BARGING B.V.,
gevestigd te Raamsdonkveer,2. de onderlinge waarborgmaatschappij
E.O.C. ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,
gevestigd te Meppel,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: verzoeksters,
advocaat: mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel.
1. De procedure
Op 8 oktober 2025 heeft de rechtbank op het verzoekschrift een beschikking gegeven waarin onder meer is bepaald:
dat de aansprakelijkheid van verzoeksters ter zake van het in r.o. 2.1 van die beschikking genoemde voorval voorshands is beperkt tot SDR 1.179.777,60, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, derhalve 19 februari 2025, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds (r.o. 3.1); en
dat verzoeksters uiterlijk op 18 november 2025 fonds moeten stellen voor dat bedrag, alsmede een bedrag van € 7.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure (r.o. 3.2).
Op 17 november 2025 hebben verzoeksters de rechtbank bericht gestuurd dat zij op 14 november 2025 € 1.394.824,08 in de Consignatiekas hebben gestort ten behoeve van het zakenfonds en het fonds ter bestrijding van de kosten van de procedure, met daarbij een door het Ministerie van Financiën afgegeven bewijs van consignatie gedateerd 17 november 2025. Verzoeksters verzoeken de rechtbank daarbij om te verklaren dat zij hebben voldaan aan het bevel van de rechtbank om fonds te stellen, als bedoeld in artikel 642c lid 6 Rv.
2. De beoordeling
De rechtbank zal de verzochte verklaring weigeren, om de volgende redenen.
En de rechtbank zal verzoeksters een hernieuwd bevel geven tot het stellen van het zakenfonds en het bedrag ter bestrijding van de kosten van de procedure.
Verzoeksters hebben op 14 november 2025 een bedrag in euro in de Consignatiekas gestort om een zakenfonds te stellen. Voor de berekening van het te stellen zakenfonds moet daarom worden uitgegaan van de omrekeningskoers van SDR naar euro per 14 november 2025 volgens de waarderingsmethode die door het IMF op die dagen werd toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
Op 14 november 2025 was die omrekeningskoers 1 SDR = 1,168060 EUR. Het in euro omgerekende bedrag was daarom op 14 november 2025 € 1.378.051,02.
De wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2025 tot en met 14 november 2025 bedraagt € 60.936,28.
Dat brengt mee dat het bedrag dat voor het zakenfonds zou moeten zijn gestort op 14 november 2025 € 1.438.987,30 beliep. Met hun storting in de Consignatiekas van € 1.394.824,08 hebben verzoeksters derhalve te weinig gestort, laat staan dat zij tevens het bedrag van € 7.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure hebben gestort.
Op grond van artikel 642c lid 6 Rv kan de rechtbank bij weigering van de verzochte verklaring verzoeksters éénmalig een hernieuwd bevel tot het stellen van fonds geven op een door haar te bepalen dag die niet later kan liggen dan één maand na de dag van de beschikking.
De rechtbank zal verzoeksters dienovereenkomstig een hernieuwd bevel tot het stellen van fonds en het bedrag ter bestrijding van de kosten van de procedure geven, en wel tot en met 27 december 2025. Daarbij verwijst de rechtbank kortheidshalve naar hetgeen is overwogen in r.o. 2.7 van de beschikking van 8 oktober 2025 en de brief van de rechtbank aan verzoeksters van 9 oktober 2025, met daarin de informatie over de praktische afhandeling van de storting in de Consignatiekas.
Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
3. De beslissing
De rechtbank
weigert de verzochte verklaring als bedoeld in artikel 642c lid 6 Rv;
verstaat dat het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van verzoeksters ter zake van de zaakschade in verband met het in overweging 2.1 van de beschikking van 8 oktober 2025 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 1.179.777,60, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, derhalve 19 februari 2025, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;
beveelt hernieuwd dat verzoeksters uiterlijk op 27 december 2025 fonds moeten stellen voor het beloop van het hiervoor in 3.2 genoemde bedrag aan hoofdsom en rente door dat totaalbedrag te storten in de Consignatiekas van het Ministerie van Financiën, alsmede een bedrag van € 7.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.
3718/1928