Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703823 / FA RK 25-5637
Beschikking van 26 november 2025 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.M.J. Bos te Dordrecht,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 22 juli 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 oktober 2025;
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 oktober 2025.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
het bericht met bijlagen van de man van 27 oktober 2025;
het bericht met bijlagen van de man van 28 oktober 2025.
De rechtbank zal deze stukken desondanks aan het dossier toevoegen omdat de stukken eenvoudig te doorgronden zijn en de wederpartij geen bezwaar heeft tegen het in aanmerking nemen ervan.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
de man bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .
Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling is daarna nog een bericht, van 10 november 2025, ingekomen van de man. De vrouw heeft daarop gereageerd bij bericht van 12 november 2025, waarna van de man nog op 13 november 2025 een bericht is ontvangen.
De oudste minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft op 14 oktober 2025 gesproken met de kinderrechter.
2. De vaststaande feiten
Het huwelijk van partijen is op 8 april 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 maart 2022 in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de vrouw en [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de man.
Partijen hebben op 14 februari 2022 een ouderschapsplan opgesteld. Hierin is een co-ouderschapsregeling opgenomen en zijn afspraken over een kindrekening neergelegd.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2024 is aan de man vervangende toestemming verleend om met [minderjarige 2] te verhuizen naar Dordrecht en hem in te schrijven op de Dordtse Vrije School. Daarnaast is het op 14 februari 2022 gesloten ouderschapsplan gewijzigd in die zin dat de volgende zorgregeling is bepaald:
de minderjarigen zijn in de oneven weken op maandag vanaf 17.00 uur bij de man tot woensdag na de schooltijd van [minderjarige 2] ;
vervolgens zijn de minderjarigen vanaf woensdag na de schooltijd van [minderjarige 2] tot vrijdag na de schooltijd van [minderjarige 2] bij de vrouw;
daarna zijn de minderjarigen vanaf vrijdag na de schooltijd van [minderjarige 2] tot de woensdag in de even weken na de schooltijd van [minderjarige 2] bij de man;
hierna zijn de minderjarigen vanaf woensdag na de schooltijd van [minderjarige 2] tot de maandag in de oneven week na de schooltijd van [minderjarige 2] bij de vrouw.
3. De beoordeling
Zorgregeling met [minderjarige 1] en benoeming bijzondere curator
De man verzoekt de zorgregeling, zoals deze is opgenomen in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2024, ten aanzien van [minderjarige 1] te wijzigen op de door hem voorgestelde wijze. De man verzoekt daarnaast een bijzondere curator te benoemen om de belangen van [minderjarige 1] te behartigen.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator ingetrokken. Dit verzoek zal daarom zonder verdere bespreking worden afgewezen.
Ten aanzien van de zorgregeling stelt de rechtbank het volgende voorop.
Partijen hebben na hun echtscheiding begin 2022 gekozen hebben voor een zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds de helft van de tijd bij ieder van hen verblijven. De man heeft in 2024 in het kader van zijn verhuizing naar Dordrecht vanwege een nieuwe partner (zie ook rechtsoverweging 2.5) onder meer verzocht om de co-ouderschapsregeling ten aanzien van [minderjarige 1] te wijzigen en in plaats daarvan te bepalen dat [minderjarige 1] een weekend per 14 dagen bij de man verblijft. Dat verzoek – mede ingegeven door het thuisonderwijs dat [minderjarige 1] op dat moment nog volgde – is door de rechtbank afgewezen omdat [minderjarige 1] dan tegen zijn wens in minder tijd met de man zou doorbrengen en het niet in zijn belang werd geacht dat er in vergelijking met [minderjarige 2] een verschil zou zijn in de frequentie van de omgangscontacten met de man.
De man verzoekt nu opnieuw de co-ouderschapsregeling te wijzigen in een weekend-regeling. In het kader hiervan is relevant dat bij [minderjarige 1] een stoornis in het autismespectrum is vastgesteld.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] zoveel weerstand heeft tegen het wekelijks verblijf bij de man en zijn nieuwe partner dat [minderjarige 1] sinds mei 2025 bij grootouders (vaderszijde) logeert wanneer hij volgens de regeling bij de man zou zijn. Deze situatie is onder meer gezien de leeftijd van de grootouders vz niet langer houdbaar. De man acht het in het belang van [minderjarige 1] dat hij voortaan doordeweeks bij de vrouw zal verblijven, ook omdat [minderjarige 1] zijn sociale en maatschappelijke leven volledig in [plaatsnaam] heeft.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de weerstand van [minderjarige 1] niet alleen met bedoelde stoornis samenhangt maar ook met zijn (puber)leeftijd en het feit dat hij geen eigen kamer bij de man heeft gekregen terwijl hem die wel was beloofd. Voor zover de weerstand van [minderjarige 1] al een wijziging van omstandigheden oplevert, is het niet in zijn belang om de bestaande regeling te veranderen. Het is in zijn belang om net zoveel door zijn vader als door zijn moeder verzorgd en opgevoed te worden en met [minderjarige 2] samen op te groeien.
De vrouw acht een wijziging van de co-ouderschapsregeling ook gezien haar eigen omstandigheden niet haalbaar. Zij moet de zorg voor de kinderen combineren met een pas onlangs gestarte onderneming en de mantelzorg voor haar in Den Helder woonachtige vader.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het staat voor de rechtbank, gelet op de wederzijdse stellingen maar ook gezien het kindgesprek van 14 oktober 2025, voldoende vast dat [minderjarige 1] zich niet (meer) thuis voelt bij de man en zijn nieuwe partner en niet bij hen wil overnachten. Hierin ziet de rechtbank een wijziging van omstandigheden. [minderjarige 1] heeft immers voorafgaand aan de zitting van 11 juli 2024 - die heeft geleid tot de beschikking van 26 juli 2024 - kenbaar gemaakt het contact met de man niet te willen verminderen, zo volgt uit rechtsoverweging 3.3.5.2. van die uitspraak.
Het staat voor alle betrokkenen vast dat het alternatieve verblijf van [minderjarige 1] bij zijn grootouders geen duurzame oplossing biedt voor het feit dat hij zich niet meer thuis voelt bij de man.
De rechtbank overweegt dat de huidige situatie feitelijk is ontstaan door de keuzes die de man heeft gemaakt. Hij is verhuisd naar Dordrecht en is gaan samenwonen met een nieuwe partner die ook een minderjarige zoon heeft en erg klein behuisd is. De toegezegde eigen kamer voor [minderjarige 1] is er niet gekomen omdat de man er al op voorhand vanuit ging dat de daarmee gemoeide kosten nodeloos zouden worden gemaakt. De man legt de oplossing nu grotendeels bij de vrouw neer. Zij moet volgens hem een groter aandeel nemen in dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] terwijl zij dit zelf gezien haar persoonlijke omstandigheden op dit moment niet haalbaar acht.
De rechtbank stelt voorop dat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van een kind bij beide ouders ligt. Partijen hebben tijdens hun huwelijk een gelijkwaardige rol hierin gehad en hebben dit na de echtscheiding in de vorm van een co-ouderschapsregeling willen voortzetten en ook uitgevoerd.
In de gegeven omstandigheden mag van de man worden verwacht dat hij zich, met de vrouw, zal inspannen om de situatie met [minderjarige 1] te veranderen. De door de man verzochte wijziging van de co-ouderschapsregeling in een weekendregeling gaat het probleem bovendien niet oplossen. De weerstand van [minderjarige 1] beperkt zich immers niet tot die regeling. Hij wijst op dit moment ieder verblijf bij de man af. Er is hier geen eenvoudige oplossing voor. Uiteindelijk moet het negatieve gevoel van [minderjarige 1] over de huidige gezinssituatie van de man worden weggenomen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad partijen geadviseerd gespecialiseerde hulp in te schakelen in de vorm van Bobo-Zorg bij Yulius. De man zegt open te staan voor professionele hulpverlening. Hij heeft voorgesteld om onder begeleiding van [naam 2] – de begeleider van [minderjarige 1] bij Stichting Hart voor IQ die naar verwachting in november terugkeert na ziekte – met de vrouw in gesprek te gaan. De vrouw stemt daarmee in.
Partijen hebben los van het inschakelen van hulpverlening afgesproken dat zij omgangs-contacten doordeweeks, bijvoorbeeld op dinsdag, gaan initiëren tussen de man en [minderjarige 1] .
De rechtbank zal het verzoek van de man op grond van het vorenstaande afwijzen. De rechtbank verwacht niet dat de regeling die werd vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 26 juli 2024 meteen wordt opgepakt. De weerstand van [minderjarige 1] is immers een feit. Wat wel verwacht wordt van zowel de man als de vrouw is dat zij onder professionele begeleiding met elkaar in gesprek gaan met als doel te bezien op welke wijze de omgang weer tot stand kan worden gebracht en wat er voor nodig is om [minderjarige 1] bij de man te laten overnachten. Niet alleen [minderjarige 1] moet handvatten krijgen om met de situatie om te gaan, maar ook de volwassenen om hem heen. Dat zal voor alle betrokkenen inspanningen kosten maar doet recht aan het feit dat [minderjarige 1] kind is van beide ouders die samen en in gelijke mate de verantwoordelijkheid voor hem dragen.
Kindbrief
De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat hij een apart bericht krijgt waarin staat wat er over hem is beslist. Hij krijgt een brief met de volgende tekst:
Dag [minderjarige 1] ,
Op 14 oktober van dit jaar hebben we met elkaar gesproken, op de rechtbank in de kamer met de koeienposter. [naam 3] was daarbij als griffier. Zij heeft opgeschreven wat wij toen bespraken.
Je hebt me verteld dat je sinds juni van dit jaar niet meer bij je vader komt en dat je in de tijd dat je bij hem zou zijn bij je opa en oma, de ouders van je vader die ook in [plaatsnaam] wonen, bent. Je hebt verteld dat je het liefst bij je moeder woont. Je hebt nog meer verteld, maar daarover zei je dat ik dat niet met je ouders mocht delen.
Op 29 oktober heb ik met je ouders en hun advocaten gesproken. Ik heb ze over dat gesprek verteld, dat wat ik van jou mocht vertellen.
Zij, en hun advocaten, hebben aan mij uitgelegd hoe het volgens hen met jou verder moet als het gaat om de plek waar je kan wonen. Daarover bleken je ouders het niet eens te zijn en daarom vroegen ze mij daarover te beslissen.
Ik heb ze verteld dat ik dat wel kan, maar dat die beslissing er nooit één zal zijn waar iedereen blij mee is. Ik heb ook gezegd dat de oplossing bij hen ligt en niet bij mij. In mijn brief aan de ouders - we noemen dat een beschikking - waarin mijn beslissing staat heb ik ze uitgelegd dat de verantwoordelijkheid voor jouw verzorging en opvoeding bij hen alle twee ligt: omdat ik meen dat ze dat allebei kunnen; omdat ze jouw ouders zijn; omdat ze samen het gezag over jou hebben en vooral: omdat ze alle twee – elk op hun eigen manier – van je houden. Ik heb geschreven dat ze moeten proberen met hulp van jou en van anderen te zorgen dat jij weer een deel van de tijd bij je vader wil en kan wonen. Met anderen bedoel ik professionals, bijvoorbeeld [naam 2] , maar ook [naam 4] , de partner van je vader. Je ouders hebben gezegd bereid te zijn hulp te aanvaarden.
Ik hoop dat hen dat lukt. Ik hoop dat het jou lukt hulp te accepteren en dat je wilt aanvaarden dat het leven niet altijd gaat zoals je zou willen.
Ik wens je alle goeds toe,
J. van Driel, kinderrechter
Onderhoudsbijdrage
De man verzoekt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2022
en het daarin opgenomen ouderschapsplan ten aanzien van de kinderrekening te wijzigen, in die zin dat kinderrekening wordt opgeheven en ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 25,- per maand per kind wordt vastgesteld.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Uit de na de mondelinge behandeling ingekomen berichten van 10, 12 en 13 november 2025 blijkt dat partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt.
Zij hebben het volgende afgesproken:
partijen dragen ieder bij in de kosten van de kinderen met een bedrag van € 100,- per maand, met ingang van 1 november 2025. Partijen betalen ieder deze bijdrage door middel van overmaking op een door de man te openen en/of kinderrekening op naam van partijen. Op deze rekening kan niet rood gestaan worden;
op genoemde bijdrage is de wettelijke indexering van toepassing, voor het eerst
per 1 januari 2027;
- partijen reserveren maandelijks van de door partijen te betalen bijdrage een bedrag van € 20,- voor [minderjarige 1] en € 10,- voor [minderjarige 2] als spaardeel. Deze bedragen worden gestort op de spaarrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
van de door partijen te betalen bijdrage wordt maandelijks een bedrag ad € 40,- per maand gereserveerd voor voedingssupplementen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
de aanschaf van supplementen zal in overleg tussen partijen plaatsvinden, met dien
verstande dat wanneer partijen het niet met elkaar eens zijn over een of meerdere
supplementen, die bewuste supplementen niet via de kinderkostenrekening
bekostigd kunnen worden;
- ten aanzien van specifieke uitgaven zijn partijen het navolgende overeengekomen:
• voor uitgaven van de kinderrekening ter zake de kapper, kleding, school,
sport en cultuur is tot een bedrag van € 30,- geen overleg tussen partijen nodig;
• het staat partijen vrij om 2x per jaar een bedrag ad € 60,- te besteden van de kinderrekening aan schoenen, zonder overleg;
• de eigen bijdrage voor school en voor medische/psychologische zorg van [minderjarige 1] wordt betaald vanaf de kinderrekening;
• eenmaal per jaar kan zonder overleg tot een bedrag van € 50,- per kind een
winterjas worden gekocht;
• verjaardagscadeaus, kinderfeestjes en boodschappen voor verjaardagen vallen buiten deze regeling en worden dus niet voldaan vanaf de gezamenlijke (en/of) kinderrekening;
- partijen stellen vast dat tot 1 november 2025 een achterstand is ontstaan in de
door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van 2 x € 88,-.
De man loopt de achterstand in door middel van verrekening, in die zin dat de
vrouw in de maanden november en december een bedrag ad € 12,- per maand
betaalt op de kinderrekening en de man in die maanden € 100,- per maand, zoals hiervoor beschreven.
Partijen verzoeken de rechtbank deze afspraken in de beschikking op te nemen.
De rechtbank zal wat partijen uiteindelijk gezamenlijk hebben verzocht toewijzen.
De man heeft zijn inleidende verzoek ingetrokken, zodat dat wordt afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
neemt op in deze beschikking de tussen partijen gemaakte afspraken als weergegeven onder rechtsoverweging 3.3.3;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. Ligthart, griffier, op 26 november 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.