RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/688832 / HA ZA 24-938
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
advocaat: mr. A. Vaarkamp,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. van der Valk.
1. De zaak in het kort
[gedaagde] drijft een onderneming die thuiszorg verleent. VGZ heeft facturen betaald voor zorg die [gedaagde] aan verzekerden van VGZ heeft verleend. VGZ heeft onderzoek gedaan naar deze facturen. VGZ heeft gesteld dat [gedaagde] geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en ook dat [gedaagde] in een aantal gevallen zorg heeft gedeclareerd die niet geleverd kan zijn. VGZ vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het gehele bedrag dat zij op deze facturen heeft ontvangen aan VGZ terug te betalen. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is. De schade kan niet anders dan door schatting worden begroot. [gedaagde] moet een derde van wat zij heeft ontvangen aan VGZ terugbetalen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 30 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 23 juli 2025 met producties 1-8;- de brief van 19 augustus 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de zittingsagenda van 1 oktober 2025;
- de akte overlegging producties van [gedaagde] van 11 november 2025 met producties 9 en 10;
- de conclusie van antwoord in reconventie van VGZ tevens akte overlegging producties van 11 november 2025 met producties 14 en 15;
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
VGZ is een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet en zij maakt onderdeel uit van de coöperatie VGZ U.A.
[gedaagde] is een BIG-geregistreerde verpleegkundige. Zij drijft als eenmanszaak een onderneming op het gebied van de thuiszorg (verpleging en verzorging) onder de handelsnamen “ [handelsnaam 1] ” en “ [handelsnaam 2] ”.
VGZ en [gedaagde] hebben geen schriftelijke zorgovereenkomsten gesloten. [gedaagde] heeft tussen 2018 en 2022 declaraties ingediend bij VGZ voor 44 bij VGZ verzekerde personen aan wie [gedaagde] zorg zou hebben verleend.
Naar aanleiding van een anoniem signaal vanuit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft VGZ onderzoek gedaan naar de door [gedaagde] geleverde zorg. Dit onderzoek bestond in eerste instantie uit een schriftelijke enquête onder 24 verzekerden.
Naar aanleiding van de respons op deze enquête heeft VGZ [gedaagde] bij brief van 7 juni 2021 geïnformeerd dat zij een onderzoek deed naar de door [gedaagde] ingediende declaraties voor verzekerden van VGZ. VGZ heeft bij [gedaagde] de medische informatie van 14 verzekerden opgevraagd. Twee verzekerden hebben zelf dergelijke informatie aan VGZ verstrekt, zodat in totaal 16 verzekerden in het onderzoek van VGZ zijn betrokken.
Op 21 juli 2021 heeft VGZ [gedaagde] aan het informatieverzoek herinnerd. [gedaagde] heeft gereageerd met een verzoek om uitstel en VGZ heeft daarop de oorspronkelijke deadline van 23 juli 2021 een aantal keren verlengd tot uiteindelijk 24 september 2021.
Op 27 september 2021 heeft [persoon A] van [naam financieel bureau] namens [gedaagde] telefonisch aan VGZ doorgegeven dat het [gedaagde] niet is gelukt om de informatie per e-mail aan te leveren en hij heeft aangeboden om dat alsnog te doen door de informatie op een USB-stick te laden.
Op 27 september 2021 heeft VGZ een USB-stick met documenten van [gedaagde] ontvangen. Bij controle bleek de aangeleverde informatie niet compleet te zijn. Nadat [gedaagde] een nieuwe deadline is gesteld die ook weer is verlengd, heeft VGZ op 16 en 18 november 2021 19 e-mails ontvangen met 621 bestanden.
VGZ heeft deze bestanden onderzocht en zij heeft ook nadere informatie opgevraagd bij verzekerden en bij ZZP-ers die volgens de door [gedaagde] aangeleverde informatie door [gedaagde] zijn ingezet.
Het onderzoek heeft betrekking gehad op de periode van 2017 tot en met 12 april 2022.
Bij brief van 5 mei 2022 heeft VGZ de voorlopige bevindingen uit het onderzoek met [gedaagde] gedeeld. Die voorlopige bevindingen hadden betrekking op de bedrijfsvoering, op de aanlevering en opmaak van documenten, discrepanties tussen de werkroosters en de zorg die verzekerden in antwoord op de enquête stelden te hebben ontvangen, discrepanties tussen de werkroosters en de declaraties, bejegening van verzekerden, de inzet en bevoegdheid van zorgverleners en vermoedens dat zorg niet daadwerkelijk geleverd is (o.a. aan verzekerden die in het ziekenhuis verbleven, door onmogelijke reistijden, gelijktijdige inzet van dezelfde zorgverlener op meerdere locaties en ook zorg door ZZP-ers die hebben verklaard niet voor [gedaagde] te werken). Op grond van deze voorlopige bevindingen heeft VGZ zich op het voorlopige standpunt gesteld dat [gedaagde] artikel 35 en 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) heeft overtreden.
VGZ heeft [gedaagde] gelegenheid gegeven om uiterlijk op 20 mei 2022 op de bevindingen te reageren. Namens [gedaagde] heeft Van der Hoogen op 22 mei 2022 schriftelijk op de voorlopige bevindingen gereageerd.
De reactie namens [gedaagde] heeft er niet toe geleid dat VGZ tot wezenlijk andere bevindingen is gekomen. Bij brief van 14 juli 2022 heeft VGZ zich definitief op het standpunt gesteld dat [gedaagde] onder meer artikelen 35 en 36 Wmg heeft geschonden. Het gaat volgens VGZ – samengevat - om de volgende bevindingen:
i) de door [gedaagde] aangeleverde documenten zijn vermoedelijk achteraf gemaakt, want [gedaagde] had vijf uitstellen nodig voordat stukken werden aangeleverd;
ii) verschuivingen tussen dagen en data op werkroosters wijzen op “knippen en plakken” (verzekerden M, I, D, K, F, B, N);
iii) de dagrapportages van de geleverde zorg zijn aangeleverd in een Word-document, waarbij de aanmaakdatum van het Word-document ligt na de datum van het informatieverzoek; door het gebruik van Word is geen sprake van “logging” van de invoer van gegevens in de dagrapportages;
iv) [gedaagde] gebruikt naar eigen zeggen het elektronisch cliënten dossier (ECD) van Nedap, maar zij heeft kennelijk niet de logging functie en de export functie van het ECD-systeem gebruikt; daardoor ontbreekt een audit-trail dat er op grond van artikel 4 van de Regeling verpleging en verzorging moet zijn;
v) [gedaagde] heeft dagrapportages en werkroosters aangeleverd, waarop zorg staat die niet is gedeclareerd;
vi) het aantal minuten in werkroosters stemt niet altijd overeen met het gedeclareerde aantal minuten;
vii) [gedaagde] heeft niet alle facturen en betalingsbewijzen aangeleverd van door haar ingeschakelde ZZP-ers en wat [gedaagde] wel heeft aangeleverd, is niet aan te sluiten op de geleverde zorg;
viii) vier van de acht door VGZ benaderde ZZP-ers hebben aan VGZ verklaard niet de zorg te hebben geleverd die zij geleverd zouden hebben volgens de werkroosters/ dagrapportages; [gedaagde] kon de beweerdelijk geleverde zorg ook niet met betaalbewijzen aannemelijk maken;
ix) 14 van de 26 zorgverleners die [gedaagde] heeft ingezet, waren niet bevoegd om zorg conform de polisvoorwaarden te leveren;
x) werkroosters voor verzekerde C (januari 2021), E (maart 2018) zijn valselijk opgemaakt, omdat die verzekerden toen elders verbleven en geen thuiszorg van [gedaagde] ontvangen kunnen hebben;
xi) werkroosters en dagrapportages van [gedaagde] zelf zijn valselijk opgemaakt, omdat [gedaagde] op dat moment in het ziekenhuis was opgenomen of zelf thuiszorg ontving;
xii) in 173 gevallen kan zorg niet of niet volledig zijn geleverd, omdat volgens de roosters dezelfde zorgverlener gelijktijdig op meerdere locaties is ingezet of omdat de benodigde reistijd tussen twee locaties onmogelijk maakt dat de zorg op de opgegeven tijdstippen is verleend;
xiii) geënquêteerde verzekerden hebben verklaard minder zorg te hebben ontvangen dan [gedaagde] heeft gedeclareerd.
VGZ stelt dat sprake is geweest van fraude. VGZ heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van haar schade begroot op een bedrag van tenminste € 353.658,25. Dat is het totale bedrag dat VGZ heeft betaald voor zorg aan de cliënten van [gedaagde] die in het onderzoek zijn betrokken gedurende de onderzochte periode.
[gedaagde] heeft het gevorderde bedrag niet betaald.
4. Het geschil
VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 355.176,25, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 353.658,25 en € 1.518,00 aan onderzoekskosten.
VGZ heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft voor de verzekerden die in het onderzoek zijn betrokken een bedrag van € 353.658,25 aan zorg gedeclareerd en betaald gekregen, waarvan VGZ de rechtmatigheid niet kan vaststellen. Dat is veroorzaakt doordat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie die voortvloeit uit onder meer artikel 36 Wmg. Daarnaast heeft VGZ vastgesteld dat [gedaagde] in strijd met artikel 35 Wmg prestaties in rekening heeft gebracht die feitelijk niet geleverd zijn en/of waarop (bijvoorbeeld blijkens de polisvoorwaarden van VGZ) geen recht bestond. Dat alles is in strijd met de betamelijkheid en om die reden onrechtmatig. VGZ heeft de declaraties van [gedaagde] dan ook onverschuldigd betaald en [gedaagde] is met het bedrag van de declaraties ongerechtvaardigd verrijkt. De schade is gelijk aan alles wat VGZ heeft betaald op de declaraties met betrekking tot de onderzochte verzekerden gedurende de onderzoeksperiode. Er is sprake van een causaal verband, omdat VGZ deze declaraties als gevolg van de onrechtmatige daad heeft betaald.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VGZ, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VGZ, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van VGZ in de kosten van deze procedure.
Voor zover [gedaagde] beoogd heeft om een vordering in reconventie in te stellen (haar conclusie van antwoord wekt die indruk), heeft zij die vordering tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Het toetsingskader
Artikel 35 Wmg luidt, voor zover van belang:
“1 Het is een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te brengen:
a. dat niet overeenkomt met het tarief dat voor de betrokken prestatie op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel b, is vastgesteld;
b. dat niet ligt binnen de tariefruimte die op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel c, voor de betrokken prestatie is vastgesteld;
c. voor een prestatie waarvoor geen prestatiebeschrijving op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel d, is vastgesteld;
d. voor een prestatie waarvoor een andere prestatiebeschrijving wordt gehanteerd dan op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel d, is vastgesteld;
e. anders dan op de wijze die overeenkomstig deze wet is vastgesteld.
(…)”
Artikel 36 Wmg luidt, voor zover van belang:
“1 Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren een administratie waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden.
2 Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren op zodanige wijze een administratie dat te allen tijde mogelijk is elk tarief dat overeenkomstig artikel 50 of 52 is vastgesteld of dat ligt binnen de tariefruimte die op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel c, is vastgesteld, in rekening te brengen, te betalen of aan derden te vergoeden.
(…)”
De Nza heeft, gelet op onder meer artikelen 35 en 36 van de Wmg, regels opgesteld op het gebied van verpleging en verzorging. Artikel 4 van de Regeling verpleging en zorg ziet op Administratieverplichtingen. Het luidt thans, voor zover van belang:
“1 De registratie van de prestaties en tarieven in de administratie van de zorgaanbieder is volledig, juist en actueel. Aan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van 'zorgplan = planning = realisatie, tenzij' kan voor deze verplichting worden aangesloten bij de (gecorrigeerde) planning. Tijdregistratie per cliënt tijdens de zorgverlening is in dat geval niet noodzakelijk. In het kader van onderlinge dienstverlening is de opdrachtgevende zorgaanbieder er voor verantwoordelijk dat de uitvoerende zorgaanbieder beschikt over een volledige, juiste en actuele administratie met betrekking tot de zorg die door de uitvoerende zorgaanbieder is geleverd. Dit laat onverlet dat de uitvoerende zorgaanbieder hier ook zelf verantwoordelijk voor is. Op verzoek van de opdrachtgevende zorgaanbieder, de NZa en/of de zorgverzekeraar zal de uitvoerende zorgaanbieder de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te allen tijde inzichtelijk kunnen maken.
2 De administratieve organisatie dient zodanig ingericht te zijn dat een audit-trail mogelijk is. In het kader van onderlinge dienstverlening is de opdrachtgevende zorgaanbieder er voor verantwoordelijk dat de administratieve organisatie zodanig ingericht is, dat te allen tijde een audit-trail mogelijk is met betrekking tot de zorg die door de uitvoerende zorgaanbieder is geleverd. Dit laat onverlet dat de uitvoerende zorgaanbieder hier ook zelf verantwoordelijk voor is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten te allen tijde de mogelijkheid hebben om de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te controleren.
(…)”
In artikel 1 is “audit-trail” als volgt gedefinieerd:
“audit-trail: zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegevens naar eindgegevens en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens, door de NZa en de zorgverzekeraar kan worden gevolgd en gecontroleerd.”
De huidige Regeling verpleging en zorg is van kracht met ingang van 1 januari 2025. Gedurende de periode die VGZ in het onderzoek heeft betrokken (2017-2022) golden geen wezenlijk andere bepalingen. Ook toen werd aan de administratie de eis gesteld dat zij volledig, juist en actueel moest zijn en door middel van een audit-trail op juistheid controleerbaar.
De hiervoor genoemde bepalingen leiden er in samenhang toe dat het declareren door een zorgaanbieder van zorg die niet daadwerkelijk is verleend of waarvan, als gevolg van een gebrekkige administratie niet kan worden vastgesteld dat zij is verleend, onrechtmatig kan zijn jegens de ziektekostenverzekeraar. Als die onrechtmatige daad de zorgaanbieder kan worden toegerekend, is de zorgaanbieder verplicht om de schade die de ziektekostenverzekeraar heeft geleden te vergoeden.
De motieven van VGZ zijn niet oneigenlijk
[gedaagde] heeft gesteld dat de achterliggende oorzaak van het geschil tussen VGZ en [gedaagde] de zorg is die [gedaagde] heeft verleend aan een patiënte, mevrouw [persoon B] . VGZ heeft volgens [gedaagde] geweigerd die zorg te vergoeden, omdat de bewindvoerder van mevrouw [persoon B] , Q-Ratio, voor de aanvraag van een pgb geen toestemming heeft gegeven.
Dit betoog dat er kennelijk toe strekt om de motieven van VGZ voor het instellen van een onderzoek naar de declaraties van [gedaagde] in twijfel te trekken, is al aan bod gekomen in het vrijwaringsincident en (ook) toen verworpen. In haar vonnis in het incident van 30 april 2025 heeft de rechtbank overwogen (rov 4.3):
“Het conflict met Q-Ratio waar [gedaagde] naar verwijst, staat dus los van het fraudeonderzoek dat VGZ heeft uitgevoerd en staat dus los van deze civiele procedure die VGZ is gestart.”
[gedaagde] heeft niets aangevoerd dat de rechtbank thans tot een ander oordeel brengt. Het staat VGZ vrij onderzoek te doen.
Bevindingen van VGZ zijn voor [gedaagde] voldoende duidelijk
VGZ heeft de voorlopige bevindingen van haar onderzoek bij brief van 5 mei 2022 met [gedaagde] gedeeld. Bij brief van 14 juli 2022 heeft VGZ haar definitieve bevindingen met [gedaagde] gedeeld. Deze brieven heeft VGZ aanvankelijk als productie in het geding gebracht in een versie waarin de namen van cliënten zijn weggelakt en zijn vervangen door een letter. In de dagvaarding heeft VGZ verklaard dat zij dit heeft gedaan om de privacy van de betrokken cliënten te beschermen. Nadien heeft VGZ niet-geanonimiseerde versies overgelegd die [gedaagde] al eerder had gekregen.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij door VGZ niet in staat is gesteld om naar behoren te reageren op de bevindingen. Zij heeft hiertoe onder meer gesteld dat VGZ gebruik heeft gemaakt van een tabel waarin de namen van cliënten door VGZ zijn geanonimiseerd, waardoor niet te achterhalen is om welke zorg het voor welke verzekerde het gaat.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit verweer prijsgegeven. De rechtbank oordeelt dat het [gedaagde] voldoende duidelijk was wat de voorlopige bevindingen inhielden, zodat zij in de loop van het onderzoek op die voorlopige bevindingen heeft kunnen reageren. VGZ heeft ook in deze procedure voldoende concreet gesteld welke verwijten zij [gedaagde] maakt.
[gedaagde] heeft artikel 36 Wmg geschonden
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] artikel 36 Wmg heeft geschonden. Zij heeft geen deugdelijke administratie gevoerd.
Het tijdverloop tussen het eerste verzoek om patiëntinformatie op 7 juni 2021 en het moment dat [gedaagde] die informatie volledig had aangeleverd op 18 november 2021 bedroeg meer dan vijf maanden. De rechtbank is het met VGZ eens dat dit een aanwijzing kan zijn dat [gedaagde] die informatie op 7 juni 2021 niet volledig, juist en actueel voorhanden had. Dat is wel de eis die aan de administratie wordt gesteld.
VGZ heeft [gedaagde] bij brief van 5 mei 2022 voorgehouden dat de dagrapportages van de geleverde zorguren waren aangeleverd in een Word-document voorzien van een aanmaakdatum gelegen na de datum van het verzoek om informatie. [gedaagde] heeft in haar reactie op de voorlopige bevindingen van 22 mei 2022 erkend dat zij achteraf, na het verzoek om informatie van VGZ, dagrapportages in Word heeft opgemaakt. [gedaagde] heeft in die reactie van 22 mei 2022 ook aangevoerd dat de dagrapportages zijn gegenereerd in een Nedap ECD-systeem, dat de uren zijn verwerkt in Word en dat “er geen sprake is van logging”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat zij het Nedap-ECD systeem niet gebruikte voor het maken van dagrapportages. Zij heeft toen verklaard dat de gerapporteerde uren wekelijks vanuit handgeschreven overzichten uit de papieren cliëntdossiers in Word werden ingevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen onderling tegenstrijdig. Zij bieden geen verklaring, laat staan een rechtvaardiging voor de manier waarop [gedaagde] de administratie heeft gevoerd en de door VGZ verzochte informatie heeft verstrekt. De stelling van VGZ dat de dagrapportages in Word die [gedaagde] heeft aangeleverd in sommige gevallen zijn gemaakt maanden of jaren nadat de betreffende zorg is geleverd, heeft [gedaagde] niet weersproken. Er is geen “audit-trail” zoals is voorgeschreven in artikel 4 lid 2 van de Regeling verpleging en zorg. VGZ heeft onbetwist gesteld dat het ECD van Nedap wel in de mogelijkheid van logging en export van data voorziet. [gedaagde] heeft er kennelijk voor gekozen om deze functies niet te gebruiken. VGZ is hierdoor niet in staat gesteld om de vastlegging van de uitgevoerde behandeltrajecten op juistheid te controleren. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat dat alsnog mogelijk zou zijn.
VGZ heeft voorts gesteld dat de werkroosters die zijn aangeleverd in Excel structureel verschuivingen in de kolommen en rijen laten zien die wijzen op “knip en plakwerk”. [gedaagde] heeft betwist dat sprake is van “knip en plakwerk” en heeft verklaard dat de verschuivingen onbedoeld zijn geweest. Wat ook de oorzaak is van die verschuivingen, [gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat VGZ aan de hand van de door [gedaagde] verstrekte werkroosters heeft kunnen constateren dat zorg die wel is gedeclareerd volgens die werkroosters in werkelijkheid niet of niet volledig kan zijn verleend. Het gaat dan onder meer om 173 gevallen, waarin volgens die werkroosters dezelfde zorgverlener op twee locaties tegelijk zorg zou hebben verleend of gevallen waarin de benodigde reistijd onmogelijk maakt dat de zorgverlener op twee verschillende locaties op opeenvolgende momenten zorg heeft verleend. Er is ook sprake van zorg die volgens de werkroosters wel is verleend, maar die [gedaagde] niet heeft gedeclareerd. Hoewel VGZ daardoor mogelijk geen schade heeft geleden, is ook dit een aanwijzing dat de werkroosters niet volledig, juist en actueel zijn. [gedaagde] geeft dat ook toe, want zij heeft in haar reactie van 22 mei 2022 op de voorlopige bevindingen aangevoerd dat in de werkroosters soms vaste tijden staan die niet waren aangepast aan de zorg die daadwerkelijk werd verleend.
VGZ heeft gesteld dat [gedaagde] niet alle facturen en betalingsbewijzen heeft aangeleverd van door haar ingeschakelde ZZP-ers en dat de informatie die [gedaagde] wel heeft aangeleverd niet steeds is niet aan te sluiten op de gedeclareerde zorg. [gedaagde] heeft dit onvoldoende betwist. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat zij met voorschotten werkt, althans dat zij deze ZZP-ers betaalt voordat haar eigen declaraties door VGZ worden betaald. De rechtbank acht deze verklaring ontoereikend. Of [gedaagde] de door haar bij VGZ gedeclareerde zorg zelf uitvoert of laat uitvoeren door werknemers of ZZP-ers behoort voor de administratie geen verschil te maken. Als de inkomende facturen van ZZP-ers en de facturen die [gedaagde] aan VGZ stuurde op elkaar aansluiten, gaat die aansluiting niet verloren door tijdverloop tussen uitgaande en inkomende betalingen. In het verlengde van deze bevinding ligt de stelling van VGZ dat vier van de acht door VGZ benaderde ZZP-ers aan VGZ hebben verklaard dat zij niet de zorg hebben geleverd die zij geleverd zouden hebben volgens de werkroosters en dagrapportages die [gedaagde] heeft verstrekt. Ook dit heeft [gedaagde] onvoldoende betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat een van deze ZZP-ers erop uit was om “haar kapot te maken”, maar als dat al zo zou zijn, doet dat niet af aan de verklaringen van de drie andere ZZP-ers.
VGZ heeft meer bevindingen ten grondslag gelegd aan haar stelling dat [gedaagde] artikel 36 Wmg heeft geschonden. Die laat de rechtbank hier verder onbesproken, omdat de schending op grond van de wel besproken feiten en omstandigheden voldoende vast staat.
[gedaagde] heeft nadat zij door VGZ was geconfronteerd met bevindingen ten aanzien van de administratie aangevoerd dat een werknemer in haar organisatie een chaos van de administratie heeft gemaakt. Ook in deze procedure betrekt [gedaagde] de stelling dat geen sprake is geweest van onwil, maar van onmacht. Die stelling is niet onderbouwd, maar ook als zij juist is, ontslaat het gedrag van een werknemer [gedaagde] niet van de verantwoordelijkheid om een deugdelijke administratie te voeren. [gedaagde] had op de taakuitoefening door die werknemer moeten toezien en had zo nodig moeten ingrijpen, omdat [gedaagde] de zorgaanbieder is tot wie artikel 36 Wmg zich richt.
[gedaagde] heeft ook artikel 35 Wmz geschonden
VGZ heeft gesteld dat 14 van de 26 zorgverleners die door [gedaagde] volgens de werkroosters en dagrapportages zijn ingezet niet bevoegd waren om zorg te verlenen volgens de polisvoorwaarden van VGZ (minimaal verzorgende niveau 3). Zij baseert die stelling op de omstandigheid dat zij van [gedaagde] voor deze zorgverleners geen of geen toereikende opleidingsdocumentatie heeft ontvangen. [gedaagde] heeft niet betwist dat 14 van de 26 zorgverleners onvoldoende bevoegd waren. Zij heeft aangevoerd dat het ging om stagiaires die meeliepen met een zorgverlener die wel bevoegd was en voor wie geen declaraties zijn ingediend. In reactie hierop heeft VGZ nader gesteld dat uit de werkroosters en dagrapportages die [gedaagde] heeft aangeleverd blijkt dat onbevoegde zorgverleners ook zelfstandig werden ingeroosterd en dat [gedaagde] ook door deze zorgverleners geleverde zorg heeft gedeclareerd. [gedaagde] heeft dit niet gemotiveerd weersproken.
De rechtbank oordeelt als volgt. [gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat zij zorg heeft gedeclareerd van zorgverleners die onvoldoende bevoegd waren. Dit heeft tot gevolg dat declaraties, die mede gebaseerd zijn op tijdsregistratie van deze zorgverleners, strijdig zijn met het eerste lid (onder e) van artikel 35 Wmg. Artikel 35 lid 1 onder e Wmg bepaalt immers dat het de zorgaanbieder verboden is om een tarief in rekening te brengen anders dan op de wijze die overeenkomstig de Wmg is vastgesteld.
Hiervoor is al aan de orde geweest dat VGZ 173 gevallen heeft geconstateerd, waarin volgens de werkroosters dezelfde zorgverlener op twee locaties tegelijk zorg zou hebben verleend of gevallen waarin de benodigde reistijd onmogelijk maakt dat de zorgverlener op twee verschillende locaties op opeenvolgende momenten zorg heeft verleend. VGZ heeft onbetwist gesteld, dat de zorg waarom het hier gaat door [gedaagde] wel is gedeclareerd, hoewel die zorg onmogelijk (volledig) geleverd kan zijn. VGZ heeft ook gesteld dat [gedaagde] zorg heeft gedeclareerd ten behoeve van cliënten die op het moment dat zij die zorg zouden hebben ontvangen, in het ziekenhuis verbleven. [gedaagde] heeft dit niet kunnen verklaren. VGZ heeft ook gesteld, dat [gedaagde] heeft gedeclareerd voor door haar, [gedaagde] , zelf verleende zorg op momenten dat zij die zorg niet kan hebben verleend, doordat zij zelf in het ziekenhuis was opgenomen of zelf thuiszorg ontving. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend, dat die declaraties niet kunnen kloppen.
VGZ heeft tenslotte gesteld dat uit de enquêtes onder verzekerden waarvoor [gedaagde] zorg heeft verleend blijkt dat die verzekerden hebben verklaard minder zorg te hebben ontvangen dan [gedaagde] volgens de declaraties heeft verleend. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat het gaat om kwetsbare mensen die in sommige gevallen als gevolg van een geestelijke stoornis de enquêtes mogelijk niet naar waarheid hebben ingevuld en ook dat VGZ deze cliënten onder druk heeft gezet. VGZ heeft betwist dat zij cliënten onder druk heeft gezet. VGZ heeft er ook op gewezen dat in één geval zowel de verzekerde als de twee ZZP-ers die volgens de declaraties van [gedaagde] aan deze verzekerde zorg zouden hebben verleend eensgezind verklaren dat deze zorg niet is geleverd.
De rechtbank concludeert daarom dat [gedaagde] zorg heeft gedeclareerd die zij niet had mogen declareren en dat zij hierdoor artikel 35 Wmg heeft geschonden.
[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld en moet de schade van VGZ betalen
De schendingen van artikel 35 en 36 Wmg die hiervoor zijn besproken zijn meer dan incidenteel. [gedaagde] heeft gedurende de gehele periode die door VGZ heeft onderzocht een administratie gevoerd die zo gebrekkig is, dat VGZ niet kan controleren of de zorg die [gedaagde] heeft gedeclareerd daadwerkelijk is geleverd. VGZ heeft bovendien verschillende voorbeelden gegeven van zorg die wel is gedeclareerd, maar die in werkelijkheid niet of niet volledig is geleverd. [gedaagde] heeft hierdoor gehandeld in strijd in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en zij is gehouden om de schade die VGZ heeft geleden te vergoeden.
Schade en causaal verband
VGZ heeft gesteld dat zij voor de zorg ten behoeve van de verzekerden die in het onderzoek zijn betrokken gedurende de onderzochte periode in totaal € 353.658,25 aan [gedaagde] heeft betaald. Zij stelt dat dit hele bedrag uitsluitend door haar is betaald, doordat [gedaagde] een gebrekkige administratie heeft gevoerd en daarom als schade is aan te merken die in causaal verband staat tot de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft betwist dat VGZ schade heeft geleden. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat voor zover de door haar gedeclareerde zorg niet goed is geadministreerd, dit niet betekent dat de zorg niet is verleend. VGZ heeft de schade onvoldoende aannemelijk gemaakt, aldus [gedaagde] . VGZ heeft hiertegen ingebracht dat [gedaagde] belast moet worden met het bewijs dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd, althans dat aan haar betwisting van de schade verzwaarde eisen gesteld moeten worden. VGZ komt in een onredelijk zware bewijspositie als zij ter zake van de aard en omvang van haar vordering nog meer zou moeten stellen of bewijzen, aldus VGZ.
De rechtbank oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak gelden ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Volgens die gewone regels moet VGZ het bestaan en de omvang van haar schade stellen en bewijzen. Dat VGZ door toedoen van [gedaagde] schade heeft geleden, staat vast. Hiervoor, onder 5.26, heeft de rechtbank geconcludeerd dat [gedaagde] op onrechtmatige wijze zorg heeft gedeclareerd die zij niet daadwerkelijk heeft verleend. Wat VGZ [gedaagde] hiervoor heeft betaald, geldt als schade die in causaal verband staat tot de onrechtmatige daad van [gedaagde] .
Op grond van artikel 6:97 BW dient de rechtbank de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
De omvang van de schade moet in beginsel worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het onrechtmatig handelen en nalaten van [gedaagde] niet zou hebben plaatsgevonden. In werkelijkheid is bekend wat VGZ heeft betaald. Wat VGZ zou hebben betaald als de zorg was verleend door een zorgverlener die wel steeds correct zou hebben gedeclareerd, kan echter eenvoudigweg niet meer worden vastgesteld. Daarom kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld en moet de rechtbank de schade schatten. De mogelijkheid dat de rechtbank de schade zou schatten is tijdens de mondelinge behandeling aan de orde gesteld. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank schat de schade van VGZ op een bedrag van € 117.886,00. Dat is (afgerond) een derde van het bedrag dat VGZ gedurende de onderzochte periode heeft betaald ten behoeve van de 16 cliënten die in het onderzoek zijn betrokken.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de schade voor een bedrag van € 117.886,00 aan VGZ te vergoeden.
[gedaagde] moet rente betalen
VGZ vordert dat de schadevergoeding die haar toekomt wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2022. Dat is datum waarop het onderzoek was afgerond. VGZ knoopt bij deze datum aan, omdat dat de datum is waarop VGZ met de onrechtmatige daad van [gedaagde] bekend raakte en de uiterlijke datum waarop [gedaagde] op de voet van artikel 6:83 aanhef en onder b BW in verzuim is geraakt. Die datum ligt in ieder geval na het moment van het onrechtmatig handelen en de rechtbank wijst de wettelijke rente toe over € 117.886,00 vanaf 22 juli 2022 tot de dag van algehele voldoening.
[gedaagde] moet de kosten van het onderzoek betalen
VGZ vordert op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor een bedrag van € 1.518,00. Het gaat om de uren van een medewerker van haar afdeling Veiligheidszaken tegen een uurtarief van € 55,00. [gedaagde] heeft hiertegen geen ander verweer gevoerd dan dat [gedaagde] niet aansprakelijk is. De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde] wel aansprakelijk is. De kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank redelijk en in redelijkheid gemaakt en de vordering wordt toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
140,24
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
10.793,24
De rechtbank stelt de proceskosten voor de ingetrokken vordering in reconventie aan de kant van VGZ vast op nihil.
6. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 119.404,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 117.886,00 met ingang van 22 juli 2022 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.793,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.[3669/106]