Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/587427 / FA RK 19-10568
Beschikking van 10 december 2025 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat mr. A.L. Witteveen te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. M.T. Wernsen te Voorburg.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam
hierna te noemen de GI.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van deze rechtbank van 28 mei 2025;
het bericht met bijlage van de vrouw van 10 november 2025.
Hoewel het bericht met bijlage van de vrouw van 10 november 2025 buiten de toegestane termijn is binnengekomen, heeft de rechtbank dit bericht niet buiten beschouwing gelaten, omdat het bericht van geringe omvang is, bij alle belanghebbenden bekend is en mr. Witteveen daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft, tegelijk met zaak C/10/708514 / JE RK 25/2130 inzake de ondertoezichtstelling van de minderjarige waarop afzonderlijk is beslist, plaatsgevonden op 12 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door: [naam 1];
de GI, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3].
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft zijn mening schriftelijk gegeven.
2. De verdere vaststaande feiten
Bij beschikking van 28 mei 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 december 2025 en heeft de beslissing op de verzoeken omtrent de omgangsregeling aangehouden.
Bij beslissing van 12 november 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 januari 2026.
3. De verdere beoordeling
Omgangsregeling
De man heeft verzocht een omgangsregeling vast te stellen, die inhoudt dat de man [minderjarige] één keer in de twee weken op vrijdagmiddag uit school ophaalt en hem op
zaterdag om 17:00 uur bij de moeder thuisbrengt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat voor hem fysiek contact, een keer in de maand, eventueel onder begeleiding van de GI of een bijzondere curator, het minimum is als startpunt.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig
verzoek verzocht de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank zal hierna een beslissing nemen op het verzoek van de man. Omdat deze procedure al in 2019 is gestart, zal eerst worden stilgestaan bij wat er is gebeurd in deze procedure.
Het verloop van de procedure
Deze procedure kent een lange voorgeschiedenis, waarvan hierna de belangrijkste punten worden uitgelicht. De rechtbank merkt op dat het geen volledige weergave van de voorgeschiedenis is. De procedure startte op 10 december 2019, toen de man een verzoekschrift indiende waarin hij verzocht een omgangsregeling en informatieregeling vast te stellen. [minderjarige] was toen vier jaar oud. De achtergrond van deze verzoeken was dat de man [minderjarige] in de periode van 2015 tot 2019 met regelmaat zag, maar dat hij [minderjarige] sinds juni 2019 niet meer had gezien. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vrouw het contact tussen hem en [minderjarige] heeft belemmerd door niet te willen meewerken aan een omgangsregeling en onbereikbaar te zijn voor de man. Uit de ingediende stukken blijkt dat de man ook al voor deze procedure een verzoek bij de rechtbank had ingediend tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige]. Dit verzoek is bij beschikking van 5 juni 2018 afgewezen, omdat [minderjarige] destijds al onder toezicht was gesteld en de rechtbank de destijds geboden hulp niet wilde doorkruisen. In die beschikking heeft de rechtbank opgemerkt dat partijen zich dienden open te stellen voor hulpverlening en hun valkuilen onder ogen dienden te zien, zodat het structurele patroon van opbouwen en weer staken van omgang werd doorbroken.
Tijdens de mondelinge behandeling op 7 oktober 2020 bleek vervolgens echter dat het ondertoezichtstellingstraject is afgesloten omdat partijen hadden aangegeven er zelf wel uit te komen en omdat de man weigerde het advies op te volgen om zich aan te melden bij het wijkteam. Vervolgens is er geen verbetering gekomen in de situatie. Bij beschikking van 4 november 2020 heeft de rechtbank de verzoeken van de man aangehouden, omdat zij meer informatie nodig had om de situatie rondom de minderjarige te kunnen beoordelen, onder meer over de capaciteit van de man om een omgangsregeling na te kunnen komen, structuur te kunnen bieden en zijn emoties te kunnen reguleren. Op 10 december 2021 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Daar is vermeld dat [minderjarige] al een jaar onder behandeling van CityKids staat, dat het Centrum van Jeugd en Gezin is betrokken en dat geadviseerd is EMDR-therapie voor [minderjarige] op te starten. Enige details of informatie daarover ontbraken echter, waardoor de rechtbank nog steeds niet veel wijzer was geworden. De man heeft toen wel informatie verschaft over zijn medische behandeling, waaruit naar voren kwam dat hij last heeft van angstklachten en daardoor de neiging heeft moeilijke situaties uit de weg te gaan. Het feit dat de man de situatie omtrent [minderjarige] wel is aangegaan zegt dus wel iets over zijn motivatie om tot een omgangsregeling te komen, zo constateerde de rechtbank. Op basis van de informatie die voorhanden was waren er geen contra-indicaties voor het contact tussen de man en [minderjarige], maar omdat het niet gelukt was de situatie van [minderjarige] goed in kaart te brengen, zag de rechtbank toch onvoldoende aanknoping om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank heeft partijen daarom bij haar beschikking van 24 december 2021 doorverwezen naar het Rotterdams Omgangshuis voor begeleide contactmomenten tussen de man en [minderjarige]. Verder is er een informatieregeling vastgesteld.
Op 21 januari 2022 ontving de rechtbank het teleurstellende bericht van Team zorgbemiddeling van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond dat de lopende ondertoezichtstelling in de weg stond aan doorverwijzing naar het Rotterdams Omgangshuis. Tijdens de mondelinge behandeling op 30 december 2022 heeft de GI toegelicht dat [minderjarige] kampt met gedragsproblemen, mogelijk vanuit een autismespectrumstoornis, en zij zorgvuldig moesten bekijken welke hulp nodig is voor [minderjarige]. Voordat contactherstel kon plaatsvinden zou eerst hulp voor [minderjarige] nodig zijn. De rechtbank concludeerde uiteindelijk dat de zaak geen stap verder is gekomen.
Vervolgens is tijdens de mondelinge behandeling op 6 maart 2023 gebleken dat de GI in de daaraan voorafgaande periode niets heeft gedaan voor het gezin en er nog steeds geen vaste jeugdbeschermer betrokken is geraakt. Er was nog altijd geen contact tussen de man en [minderjarige] en de rechtbank heeft aangegeven dat er op korte termijn een vaste jeugdbeschermer moest worden aangewezen, [minderjarige] aangemeld moest worden voor traumabehandeling en Enver en gewerkt moest worden aan contactherstel tussen de man en [minderjarige]. Ter zitting op 26 mei 2023 is naar voren gekomen dat [minderjarige] inmiddels een vaste jeugdbeschermer had, dat hij was aangemeld, maar ook afgewezen, voor diagnostiek bij Yulius en hij daarna is aangemeld voor diagnostiek en behandeling bij RIOzorg, maar daarvoor een wachtlijst bestaat. Ook had de GI ingezet op langzaam contactopbouw door het versturen van kaartjes door de man naar [minderjarige]. Hoewel de eerste twee kaartjes in beginsel goed werden ontvangen door [minderjarige], liet hij na langere tijd ongewenst en zorgelijk gedrag zien, waarop de GI per direct heeft besloten te stoppen met de kaartjes. Voordat opnieuw kon worden ingezet op contactherstel, diende [minderjarige] eerst een behandeltraject bij RIOzorg te doorlopen. Tijdens de mondelinge behandeling op 23 november 2023 bleek vervolgens dat RIOzorg bijna zou starten en dat als de resultaten daarvan bekend zijn, met instemming van de vrouw SPAM zou worden ingezet.
Blijkens de beschikking van 17 juni 2024 is SPAM van Enver betrokken geweest bij de vrouw, maar zou zij de hulpverlening hebben stopgezet. Er zijn meerdere vormen van hulpverlening ingezet bij de vrouw in de thuissituatie, maar dit heeft niet geleid tot het gewenste resultaat. De rechtbank heeft toen overwogen dat de uitkomst van de diagnostiek op korte termijn gereed zou zijn waardoor duidelijk zou worden of er sprake is van kindeigen problematiek bij [minderjarige] of dat de opvoedsituatie bij de vrouw thuis
zorgt voor het gedrag van [minderjarige]. Naar aanleiding van deze diagnostiek dienden partijen zo
snel mogelijk om de tafel te gaan met RIOzorg om te bezien welke hulpverlening ingezet moest worden in de thuissituatie bij de vrouw en [minderjarige]. Hierbij moest uitdrukkelijk worden
meegenomen op welke wijze de omgang met de man op een voorzichtige manier kon
worden opgebouwd, waarbij videobellen onder begeleiding als voorbeeld werd genoemd.
Ten tijde van de voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 september 2024 bleek dat het RIOzorg het diagnostisch onderzoek inmiddels had afgerond en daaruit ernstige zorgen over [minderjarige] naar voren zijn gekomen, namelijk dat hij zwakbegaafd is en sprake is van hechtingsproblematiek, voortvloeiende uit de opvoedsituatie bij de vrouw. [minderjarige] had een langdurig en intensief behandeltraject nodig. In dat kader is onder andere ingezet op psycho-educatie voor de vrouw vanuit RIOzorg, gezinsbegeleiding vanuit ASVZ en een dagbehandeling bij Horses & Co. Gelet op de diagnostiek achtte RIOzorg het opstarten van omgang met de man op dat moment niet in het belang van [minderjarige].
Eind mei 2025 bleek dat de dagbehandeling van [minderjarige] bij Horses & Co, na lang op de wachtlijst te hebben gestaan, in januari 2025 eindelijk was gestart en dat [minderjarige] is aangemeld bij het Rotterdams Omgangshuis.
De huidige situatie
Tijdens de mondelinge behandeling op 12 november 2025 (en uit de stukken) is gebleken dat er sinds de dagbehandeling van [minderjarige] bij Horses & Co weinig tot geen ontwikkeling zichtbaar is. In de hoop dat dit bijdraagt aan verbetering is ook psychomotorische therapie gestart. Horses & Co heeft echter aangegeven dat gezocht moet worden naar een meer passende dagbehandeling voor [minderjarige] gericht op trauma, hechting en emotieregulatie, hij kan daar niet blijven, hij is niet op zijn plek. De GI heeft daarvoor verschillende instanties benaderd, maar zij gaven allemaal aan geen passend aanbod te hebben voor [minderjarige]. Inmiddels heeft er een overleg plaatsgevonden met verschillende instanties en de vrouw, waaruit naar voren is gekomen dat gekeken moet worden naar dagbesteding met ambulante hulpverlening. De vrouw heeft hiervoor zelf Kalsooni Zorg aangedragen, maar dit is nog niet geregeld. Bij haar beslissing van 12 november 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 januari 2026, zodat de GI nog kan begeleiden bij het tot stand komen van de dagbesteding van [minderjarige].
Sinds begin 2025 is ASVZ betrokken bij de thuissituatie en uit de evaluatie blijkt dat de vrouw aanzienlijke stappen heeft gezet, waardoor de hechtingsrelatie tussen de vrouw en [minderjarige] langzaam kan groeien.
Sinds eind 2024 is ook het Rotterdams Omgangshuis betrokken geraakt om het contactherstel tussen [minderjarige] en de man te begeleiden, maar het traject is sinds die tijd nauwelijks gevorderd. In haar brief van 7 november 2025 geeft het Rotterdams Omgangshuis – kort gezegd – aan dat [minderjarige] zorgelijk en driftig gedrag liet zien en tijdens het kindgesprek duidelijk heeft aangegeven dat hij zijn vader niet wilde zien. Bij het tweede kindgesprek toonde [minderjarige] nog meer weerstand en wilde niet in gesprek. Uiteindelijk is ervoor gekozen om een brief op te stellen voor de man en heeft het Rotterdams Omgangshuis het traject afgesloten.
Wat vindt de rechtbank?
In deze beschikking is besproken dat [minderjarige] al sinds juni 2019 geen contact meer heeft met zijn vader. De man is al sinds eind 2019 (en eigenlijk al daarvoor in een eerdere procedure) aan het procederen om weer contact te krijgen met [minderjarige], maar dit is, ondanks de vele hulpverleningstrajecten, in al die jaren niet van de grond gekomen. Het is duidelijk dat de rechtbank de afgelopen jaren heeft geworsteld met de vraag wat in het belang is van [minderjarige]. Als uitgangspunt geldt immers dat er, onder voorwaarden, contact moet zijn tussen ouders en kind. Echter kwam de rechtbank iedere keer tot de conclusie dat het vaststellen van een omgangsregeling, gelet op alle ontwikkelingen en lopende hulpverleningstrajecten, niet in het belang was van [minderjarige]. De vraag was telkens of er toch mogelijkheden zijn om de omgang op te starten. Het antwoord op die vraag heeft de rechtbank noodgedwongen meerdere keren voor zich uitgeschoven en ook nu ligt die vraag voor.
De rechtbank is het eens met de raad dat op dit moment het punt is bereikt om een eindbeslissing te nemen. Hoewel het voor de rechtbank nooit helemaal duidelijk is geworden waar de weerstand van [minderjarige] in het contact met de man precies vandaan komt, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat er een einde komt aan deze langslepende procedure. Het is belangrijk dat er rust komt voor [minderjarige] en hij zich ten volle kan focussen op zijn eigen ontwikkeling. Mede gelet op de eindbrief van het Rotterdams Omgangshuis van 7 november 2025, ziet de rechtbank op dit moment geen ruimte om een omgangsregeling vast te stellen, ook niet onder begeleiding van een bijzondere curator. Het is de vraag wat een bijzondere curator kan doen wat het omgangshuis niet kan. En bovendien: eerst moet [minderjarige] zelf op de rit komen. Ook moet niet uit het oog verloren worden dat de vrouw er wat betreft de zorg voor [minderjarige] alleen voor staat. Ook zij moet niet overvraagd worden. Gezien alles wat er speelt (en heeft gespeeld) is de rechtbank van oordeel dat omgang met de man op dit moment anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige].
De rechtbank ziet in dat dit een bittere pil is voor de man. Uit deze hele procedure blijkt immers overduidelijk dat hij jarenlang heeft gevochten om weer contact te krijgen met [minderjarige]. De rechtbank spreekt de hoop uit dat er, nadat [minderjarige] stappen heeft gemaakt met de hulpverlening en weerbaarder is geworden, bij [minderjarige] ruimte ontstaat voor contact met de man zodat hij zich een eigen objectief beeld van de man kan gaan vormen. De vrouw heeft immers tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat wanneer [minderjarige] zijn behandeling heeft gehad en zijn plek heeft gevonden, bijvoorbeeld bij Kalsooni Zorg, zij ervoor openstaat om te kijken of er weer contact kan komen tussen [minderjarige] en de man. Ten slotte benadrukt de rechtbank de plicht van de vrouw om de man informatie te verstrekken, zoals deze in de beschikking van 24 december 2021 is vastgesteld. Waaronder ook informatie over de voortgang van de behandeling. De man was blij met de informatie die de vrouw op zitting deelde. Juist omdat er geen contact is tussen de man en [minderjarige], dient de vrouw de man eerder te veel en te vaak te informeren dan te weinig.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank zal het verzoek van de man om vaststelling van een omgangsregeling afwijzen en het verzoek van de vrouw tot ontzegging van de omgang toewijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
ontzegt de man het recht op omgang met [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.R. den Boer, griffier, op 10 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.