RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/710417 / JE RK 25-2384 en C/10/711587 / JE RK 25-2568
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam curator] ,
hierna te noemen de bijzondere curator, kantoorhoudende in Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
ten aanzien van C/10/710417 / JE RK 25-2384
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 november 2025;
het gezinsplan van de GI van 24 november 2025;
het bericht met bijlage van mr. R.W. de Gruijl van 26 november 2025;
het bericht met bijlage van de GI van 26 november 2025;
de briefrapportage van de GI van 28 november 2025, inhoudende een wijziging van het verzoek van de GI van 20 november 2025;
ten aanzien van C/10/711587 / JE RK 25-2568
- de schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek tijdens de zitting van 27 november 2025, ontvangen op 10 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder en mr. M.P. Kloppenburg, die heeft waargenomen voor mr. R.W. de Gruijl;
de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 1] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een (digitaal) gesprek gevoerd met de kinderrechter. Ook heeft [minderjarige] de kinderrechter een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
Bij beschikking van 26 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 juni 2026 en is mr. W. Arema benoemd tot bijzondere curator voor hem voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Bij beschikking van 22 september 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oom en tante verleend met ingang van 22 september 2025 tot 22 maart 2026.
Bij beschikking van 19 november 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) verleend met ingang van 19 november 2025 voor de duur van twee weken, te weten tot 3 december 2025.
3. De verzoeken
Op 20 november 2025 heeft de GI verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van twee weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek is toegewezen.
Tijdens de zitting van 27 november 2025 heeft de GI mondeling verzocht om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een gezinshuis voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Bij brief van 28 november 2025 heeft de GI het verzoek van 20 november 2025 gewijzigd, inhoudende:1. op grond van artikel 1:265b BW een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van twee weken”, in
1. Op grond van artikel 1:265b BW een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling.”
Op 10 december 2025 heeft de GI het mondelinge verzoek, gedaan tijdens de zitting van 27 november 2025, schriftelijk bevestigd in die zin dat wordt verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4. De standpunten
De GI heeft tijdens de zitting het volgende toegelicht. Momenteel verblijft [minderjarige] op een crisisplek in een gezinshuis. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij in een gezinshuis of een pleeggezin wil verblijven. De GI zoekt een plek voor [minderjarige] in Amsterdam, zo dicht mogelijk bij zijn school. In Amsterdam zijn echter weinig plekken beschikbaar. Afhankelijk van de plek waar [minderjarige] zal verblijven, wordt gekeken of Praktijk present voor hem kan worden ingezet. Naar aanleiding van de verklaring van de moeder tijdens de zitting is aangegeven dat de GI rekening heeft gehouden met de signalen van de moeder.
Namens en door de moeder is ter zitting verzocht om de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beperken tot enkele maanden om te bezien wat dan de mogelijkheden zijn. Ter onderbouwing is het volgende aangevoerd. Volgens de moeder klopt het verhaal van [minderjarige] in grote lijnen niet. In de weekenden is [minderjarige] met toestemming van de GI bij de moeder geweest. [minderjarige] en de moeder hebben discussies met elkaar gehad. Kennelijk is [minderjarige] boos op zijn moeder. [naam 2] in Alphen aan de Rijn is niet meer bereid om [minderjarige] op te vangen. [naam 3] zou daar nog wel voor open staan. Vanuit deze plek kan [minderjarige] naar school in Amsterdam. De moeder is bezig met een woning in Amsterdam zodat [minderjarige] in Amsterdam naar school kan blijven gaan en hij bij de moeder kan worden teruggeplaatst. In de afgelopen periode heeft de moeder haar zorgen over het gedrag van [minderjarige] bij de GI geuit. Zo heeft [minderjarige] meerdere keren aangegeven dat hij niet meer wil leven en hij is actief op een platform waar hij door bepaalde mensen wordt benaderd. De GI gaat echter mee in de onwaarheden die [minderjarige] over zijn familie vertelt om [minderjarige] in een bepaalde situatie te plaatsen. [minderjarige] is beschadigd en heeft hulp nodig. In december heeft de moeder in Amsterdam een gesprek over een gezinsopname. In het gezinsplan zijn verhalen door middel van knippen en plakken vermeld.
De bijzondere curator heeft ter zitting verzocht om het mondelinge verzoek van de GI voor een korte periode toe te wijzen. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd. [minderjarige] heeft tijdens gesprekken met de bijzondere curator zorgelijke uitspraken gedaan. Zo wil [minderjarige] momenteel geen contact met zijn moeder. De moeder is echter een belangrijke hechtingsfiguur voor [minderjarige] . Daarom blijft contact tussen hen belangrijk. [minderjarige] is gebaat bij een plek waar hij tot rust kan komen. [minderjarige] wil graag naar school in Amsterdam. De zoektocht naar een passende plek wordt daardoor wel bemoeilijkt.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
[minderjarige] is in een zorgelijke opvoedsituatie bij de moeder opgegroeid. Door de toenemende zorgen is [minderjarige] op 25 maart 2021 (met spoed) uit huis geplaatst. Sindsdien heeft [minderjarige] op verschillende plekken verbleven. Al jaren verloopt de zoektocht naar een passende plek voor [minderjarige] moeizaam. Door het gebrek aan een alternatief heeft [minderjarige] in de afgelopen periode bij de crisisopvang de Opper verbleven. Vervolgens heeft hij op vrijwillige basis bij [naam 3] verbleven. Deze tante kon de zorg die [minderjarige] nodig heeft echter niet langer bieden. Op 22 september 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor verblijf van [minderjarige] bij de oom en [naam 2] . Op 19 november 2025 heeft [minderjarige] op school verteld dat hij feitelijk bij de moeder verblijft en dat de moeder hem heeft geslagen. Vervolgens is [minderjarige] met een spoedmachtiging op de huidige crisisplek in een gezinshuis geplaatst. Op deze plek kan [minderjarige] een aantal weken blijven. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat hij niet terug wil naar huis, ook niet naar [naam 3] . Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] in ieder geval voor een beperkte periode in een gezinshuis dan wel in een pleeggezin moet verblijven. Daarmee wordt er rust voor [minderjarige] gecreëerd. Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter dan ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, te weten in een pleeggezin dan wel in een gezinshuis verlenen en de op 19 november 2025 verleende spoedmachtiging van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) in stand laten. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de duur van de machtiging te beperken tot twee tot drie maanden en het verzoek voor het overige aan te houden om een vinger aan de pols te houden. De komende periode moet duidelijk worden of de moeder al dan niet in staat is om [minderjarige] een voldoende veilige en verantwoorde opvoedsituatie te bieden of dat [minderjarige] beter voor een langere tijd in een gezinshuis of een pleeggezin zou moeten verblijven.
De GI wordt verzocht om uiterlijk een week voor de zittingsdatum een briefrapportage aan de rechtbank te overleggen en een afschrift daarvan te verstrekken aan de belanghebbende, de advocaat en de bijzondere curator over de huidige stand van zaken.
Aangezien er momenteel geen opties meer lijken te zijn in het netwerk, zal de kinderrechter de op 22 september 2025 verleende machtiging bij de oom en tante beëindigen. Indien alsnog een plek in het netwerk voor [minderjarige] wordt gevonden, zal de GI een nieuw verzoek bij de rechtbank moeten indienen opdat de belanghebbenden hierover hun mening ter zitting kunnen geven.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
ten aanzien van C/10/710417 / JE RK 25-2384
beëindigt per direct de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij oom en [naam 2] die op 22 september 2025 is verleend;
laat de op 19 november 2025 verleende spoedmachtiging van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) in stand;
ten aanzien van C/10/711587 / JE RK 25-2568
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, te weten in een pleeggezin dan wel in een gezinshuis, met ingang van 3 december 2025 tot 3 maart 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de belanghebbende, de advocaat en de bijzondere curator op te verschijnen tijdens de zitting van mr. A.A.J. de Nijs van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 11 februari 2026 om 15:45 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbende, de advocaat en de bijzondere curator;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de voornoemde zitting;
vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.