RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701088 / JE RK 25-1165
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. V.T.E. Kuijpers, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het rapport van de Raad van 15 oktober 2025.
Op 27 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet en de zaak gelijktijdig behandeld met de leerplichtzaken van [minderjarige] en de moeder, geregistreerd onder de parketnummers 10-147087-25 en 10-147094-25. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] ;
de moeder en haar advocaat;
de officier van justitie;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 2] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 14 juli 2025 is het verzoek ten aanzien van [minderjarige] pro forma aangehouden tot 1 november 2025.
3. Het (aangehouden) verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
Het is positief dat [minderjarige] bij het Albeda staat ingeschreven voor een opleiding. Het opleggen van de maatregel van jeugdreclassering in het kader van de strafzaak is passend voor [minderjarige] . In het kader van een ondertoezichtstelling kan systemische hulp in de vorm van MDFT (Multidimensionele Familietherapie) worden ingezet. Echter, als de GI niet binnen afzienbare tijd een jeugdbeschermer kan inzetten, heeft een ondertoezichtstelling geen meerwaarde. Naar aanleiding van de verklaring van de GI tijdens de zitting is aangegeven dat [minderjarige] niet tot de doelgroep van het Leger des Heils behoort, dat het Leger des Heils momenteel geen nieuwe zaken aanneemt en dat de afdeling jeugdreclassering van de GI Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond meer ruimte heeft om [minderjarige] te begeleiden dan de afdeling jeugdbescherming.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. Indien een ondertoezichtstelling wordt verleend of de maatregel van jeugdreclassering wordt opgelegd, is het advies om het Leger des Heils met de uitvoering ervan te belasten. De GI heeft immers een wachtlijst voor het aanstellen van een jeugdbeschermer of een jeugdreclasseerder. Ook is de samenwerking tussen de GI en de moeder moeizaam verlopen.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting verzocht om het verzoek van de Raad af te wijzen. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd. Een ondertoezichtstelling heeft geen toegevoegde waarde en gaat averechts werken. De inzet van nog meer hulpverlening veroorzaakt uitsluitend onrust in het gezin. Volgens de moeder is [minderjarige] gebaat bij begeleiding van jeugdreclassering om ervoor te zorgen dat hij in februari naar school gaat en een stage regelt. De moeder betreurt het dat door de GI wordt aangegeven dat de samenwerking met haar moeizaam verloopt terwijl zij al jaren om hulp vraagt.
5. De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er momenteel met name zorgen zijn over het schoolverzuim van [minderjarige] . Het is hem niet gelukt om in september 2025 met een BBL-traject te starten. [minderjarige] is met name gebaat bij begeleiding in zijn schoolgang in die zin dat hij in februari 2026 daadwerkelijk een opleiding gaat volgen en dat zo spoedig als mogelijk een stageplek wordt geregeld. Uit de mondelinge toelichting van de Raad is gebleken dat de afdeling jeugdreclassering van de GI meer ruimte heeft om [minderjarige] binnen afzienbare tijd te begeleiden dan de afdeling jeugdbescherming. Daar komt bij dat [minderjarige] op 28 juli 2026 de leeftijd van 18 jaar zal bereiken. De kinderrechter houdt er rekening mee dat tijdens deze zitting naar aanleiding van de behandeling van de leerplichtzaak met parketnummer 10-147087-25 aan [minderjarige] een voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden is opgelegd, waaronder begeleiding van [minderjarige] door de jeugdreclassering van de GI. Gelet hierop en al het voorgaande ziet de kinderrechter geen meerwaarde in het naast oplegging van begeleiding door de jeugdreclassering ook nog uitspreken van een ondertoezichtstelling voor [minderjarige] . Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter wijst het verzoek af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: