RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5267
(gemachtigde: mr. T. van Nimwegen),
en
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).
Het CBR heeft in 2024 aan eiser een cursus opgelegd, omdat hij had geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Eiser heeft deze cursus gevolgd. Hij is in 2025 door de politierechter vrijgesproken van het weigeren van het bloedonderzoek. Eiser heeft vervolgens een herzieningsverzoek ingediend bij het CBR. Het CBR heeft het herzieningsverzoek afgewezen. De rechtbank vindt dat er door de gemotiveerde vrijspraak geen grond was voor het opleggen van de cursus. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank voorziet zelf in de zaak.
Procesverloop
1. Met het besluit van 8 augustus 2024 heeft het CBR aan eiser een cursus opgelegd (Educatieve Maatregel Drugs en verkeer, oftewel EMD). Eiser heeft op 19 februari 2025 aan het CBR gevraagd om dit besluit te herzien. Het CBR heeft dit herzieningsverzoek met het besluit van 18 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
5. Het CBR heeft van de politie een proces-verbaal gekregen over eiser. Op 22 juli 2024 zag de politie dat eiser met een personenauto 70 km/u reed waar 50 km/u was toegestaan. De politie had het vermoeden dat eiser onder invloed was van drogerende stoffen en heeft hem verplicht om mee te werken aan een speekseltest. Eiser heeft dit geweigerd. De politie heeft hem vervolgens verplicht om mee te werken aan een bloedonderzoek. Ook dit heeft eiser geweigerd. Naar aanleiding van de politiemelding heeft het CBR aan eiser de verplichting opgelegd om een cursus te volgen.
6. Eiser is op 7 februari 2025 door de politierechter vrijgesproken van het weigeren van een bloedonderzoek op 22 juli 2024 in verband met een verdenking van rijden onder invloed.
Waar gaat het in deze zaak om?
7. Eiser heeft bij het CBR een herzieningsverzoek ingediend. Volgens eiser is de gemotiveerde vrijspraak door de politierechter een nieuw feit dat zou moeten leiden tot herziening van het besluit om een cursus op te leggen. Volgens het CBR is de vrijspraak wel een nieuw feit, maar leidt dit niet tot herziening van het besluit van 8 augustus 2024. Ook is er volgens het CBR geen sprake van een evident onredelijk besluit.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond
8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. De bestuursrechter is in beginsel niet gebonden aan het oordeel van de politierechter. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de processen-verbaal die ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop ook de bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd.
In het proces-verbaal van de politie staat dat eiser tot stoppen is gemaand omdat hij te hard reed. De politie heeft de volgende kenmerken bij eiser waargenomen: de geur van cannabis, een vergrote pupil, langzame pupilreactie en sloom gedrag. Daarnaast zag de politie in de middenconsole van het voertuig een grinder en een halfopgerookte joint.
De politierechter heeft aan de vrijspraak ten grondslag gelegd dat het slome gedrag, eisers pupillen en de geur van cannabis geen bewijs opleveren dat eiser ervan kan worden verdacht onder invloed te hebben gereden. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij de politierechter dat eisers raadsman verdediging heeft gevoerd aan de hand van een pleitnotitie en dat deze pleitnotitie onderdeel uitmaakt van het proces-verbaal van de terechtzitting. In de pleitnotitie wordt ook melding gemaakt van de halfopgerookte joint. Daarnaast is door de officier van justitie opgemerkt dat eiser te hard heeft gereden. Al deze kenmerken zijn dus besproken bij de politierechter en zijn dus ook door de politierechter meegewogen bij zijn oordeel. Het enige punt dat niet expliciet terugkomt in de pleitnotitie of het proces-verbaal van de terechtzitting, is het aantreffen van de grinder in de middenconsole van het voertuig. Het aantreffen van een grinder is echter onvoldoende om aan te nemen dat eiser mogelijk onder invloed heeft gereden.
Met de vrijspraak van de politierechter (inclusief de in die procedure ingebrachte pleitnota) is de grondslag van het vermoeden dat eiser reed onder invloed van drogerende stoffen aan het besluit tot oplegging van een cursus komen te ontvallen.
11. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie. Nu het beroep op een andere grond al slaagt, hoeft deze grond niet meer besproken te worden.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), gelezen in verbinding met artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de afwijzing van het herzieningsbesluit geen stand houden. Het besluit van 18 maart 2025 wordt daarom herroepen en het herzieningsverzoek wordt alsnog toegewezen. Dat betekent ook dat rechtbank doet hetgeen het CBR had moeten besluiten op het herzieningsverzoek. Het besluit van 8 augustus 2024 (oplegging cursus) wordt daarom ingetrokken. Hieruit vloeit voort dat het CBR de kosten voor die cursus aan eiser dient terug te betalen.
13. Omdat het beroep gegrond is, moet het CBR het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het CBR moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.461,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 juni 2025;
- herroept het besluit van 18 maart 2025;
- doende hetgeen het CBR moest doen, trekt het besluit van 8 augustus 2024 in;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het CBR tot betaling van € 2.461,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
De griffier is verhinderd om de
uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.