Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/699086 / FA RK 25-3492
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/699303 / FA RK 25-3593 (voorlopige voorziening)
Beschikking van 22 juli 2025 over het ouderlijk gezag, de zorgregeling en de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. O.F. Aydogan te Den Haag,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. P.V. Hübner te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 5 mei 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 juli 2025.
het bericht met bijlagen van de man van 8 juli 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 juli 2025. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over de minderjarige.
3. De beoordeling
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd laten weten geen belang meer te hebben bij de behandeling van de verzoeken over en weer in het kader van artikel 223 Rv. De rechtbank zal de verzoeken daarom afwijzen.
Bodemprocedure
Kinderbijdrage
Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking.
Gezag
De man verzoekt te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw met het gezag wordt belast over de minderjarige.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De man is ontvankelijk in zijn verzoek om hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige, omdat hij de minderjarige heeft erkend en hij nooit met de vrouw het gezamenlijk ouderlijk gezag heeft gehad.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend. De stelling van de vrouw dat partijen vanwege een turbulent verleden niet met elkaar (kunnen) communiceren maakt dit oordeel niet anders. Partijen hebben bovendien tijdens de mondelinge behandeling aangegeven te willen werken aan hun onderlinge communicatie. Dit geeft aan dat er bereidheid bestaat om samen tot afspraken te komen en dat vormt juist een belangrijk uitgangspunt voor gezamenlijk gezag.
De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw verder heeft aangevoerd evenmin reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. De vrouw heeft niet gemotiveerd wat het (digitaal) pesten vanuit de huidige relatie van de man zal betekenen voor de samenwerking tussen partijen bij gezagsuitoefening. Evenmin is duidelijk geworden of en op welke wijze, wijziging van het gezag zal leiden tot meer onrust, spanning en gevoelens van onveiligheid bij de vrouw. Verder is niet komen vast te staan dat partijen het vaak oneens zijn met elkaar over de opvoeding. De man zegt dat hij juist meewerkt aan beslissingen die in het belang zijn van de minderjarige. Ter onderbouwing hiervan heeft hij onweersproken gesteld dat hij heeft samengewerkt met de vrouw toen de minderjarige naar Curaçao ging omdat zij last had van eczeemklachten. Hij heeft haar verblijf daar ook gefinancierd. Dit laat zien dat de man verantwoordelijkheid voelt voor de minderjarige en dat hij bereid is om samen te werken met de vrouw. De rechtbank volgt de vrouw dan ook niet in haar stelling dat zij gewend is alleen beslissingen te nemen over de opvoeding en verzorging van de minderjarige – nog daargelaten dat deze stelling op zichzelf niet voldoende is om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Dit geldt evenzeer voor de stelling van de vrouw dat zij bij het nemen van gezagsbeslissingen niet afhankelijk wil zijn van de man. Dat gezamenlijk gezag afstemming en constructief overleg tussen de ouders vereist, zegt op zichzelf niets over een ongewenste vorm van afhankelijkheid. De vrouw heeft niet gemotiveerd waarom het in dit geval anders ligt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank – conform het advies van de raad – bepalen dat de ouders gezamenlijk met het gezag over de minderjarige worden belast.
Zorgregeling
Omdat de man samen met de vrouw het gezag krijgt over de minderjarige, wordt hierna de term ‘zorgregeling’ gebruikt.
De man verzoekt een zorgregeling, waarbij de minderjarige om de week van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij hem verblijft, en waarbij de schoolvakanties onderling worden verdeeld, met dien verstande dat de man twee maanden van tevoren aan de vrouw kenbaar maakt dat hij in een bepaalde periode met de minderjarige op vakantie gaat naar het buitenland.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de belangenafweging die de rechtbank maakt.
Uit de stukken en het hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, blijkt dat de man sinds de geboorte van de minderjarige op onregelmatige basis omgang heeft gehad met haar bij de vrouw. De laatste keer was in februari 2025. De minderjarige heeft een beperkt aantal keren bij de man overnacht.
Partijen zijn het erover eens dat het contact tussen de minderjarige en de man moet worden opgebouwd. Zij hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken om in mediation verder te praten zowel over de onderlinge communicatie als over de invulling van de zorgregeling. Daarmee sluiten zij aan bij het advies van de raad dat omgang tussen de man en de minderjarige opgebouwd moet worden en op een natuurlijke manier tot stand moet komen, ook met het gezin van de man. De rechtbank stelt deze houding van partijen op prijs. Het is in het belang van partijen en de minderjarige wanneer ouders samen afspraken kunnen maken over de invulling van de zorgregeling.
De rechtbank zal, zoals met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling, in afwachting van het resultaat van het mediationtraject de beslissing over de zorgregeling aanhouden tot na te noemen datum.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de voorlopige voorziening:
wijst de verzoeken af;
in de bodemprocedure:
wijzigt het ouderlijk gezag over de minderjarige in die zin, dat de man en de vrouw dit gezag over de minderjarige vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk uitoefenen;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige hebben getroffen, die inhoudt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking € 200,- per maand bij vooruitbetaling zal voldoen, en daarnaast met ingang van de datum van deze beschikking eenmalig € 400,- zal voldoen onder vermelding van ‘kinderbijdrage februari en maart 2025’;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot 1 november 2025 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. S. Wahedi, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.S. Jansen, griffier, op 22 juli 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.