ECLI:NL:RBROT:2025:14774

ECLI:NL:RBROT:2025:14774, Rechtbank Rotterdam, 13-11-2025, C/10/704186 / FA RK 25-5812

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-11-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer C/10/704186 / FA RK 25-5812
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Gezagsbeëindiging gelet op het reeds dertien jaar durende patroon waaruit blijkt dat de moeder niet in staat is de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/704186 / FA RK 25-5812

Datum uitspraak: 13 november 2025

Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, zonder vaste woon- of verblijfplaats, doch verblijvende in Rotterdam, advocaat: mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende in Rotterdam,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

De rechtbank merkt als informant aan:

[oma moederszijde] ,

de oma moederszijde, hierna te noemen: de oma.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 15 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

Op 13 november 2025 heeft de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

de advocaat van de moeder;

een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;

- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .

De moeder en de oma zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder en de oma wel juist zijn opgeroepen.

De rechtbank heeft [voornaam minderjarige] niet opnieuw opgeroepen voor een kindgesprek, aangezien zij ter zitting van 15 september 2025 is gehoord.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

[voornaam minderjarige] verblijft bij Prokino.

Bij beschikking van 26 mei 2025 is de moeder geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag totdat op het verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist.

De GI heeft zich bij brief van 21 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3. Het aangehouden verzoek

De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [voornaam minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad handhaaft ter zitting het verzoek. De GI heeft praktische zaken voor [voornaam minderjarige] geregeld, zoals een paspoort, een bankrekening en dansles. Bij Prokino verloopt het wisselend met [voornaam minderjarige] .

4. Het standpunt van de GI

De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Er is alleen kort contact geweest met de moeder, tijdens een huisbezoek bij oma. Voor [voornaam minderjarige] is een aanvraag bij het Jeugdsportfonds gedaan, die direct is toegewezen, waardoor zij naar dansles kon gaan. Daarnaast heeft zij dagbesteding, waar men positief over haar is. De GI is nog op zoek naar een plek voor haar in een mavo 3 klas.

5. Het standpunt van de moeder

De advocaat van de moeder heeft geen contact gehad met de moeder, waardoor er geen standpunt namens haar kan worden ingenomen.

6. De beoordeling

Gezagsbeëindiging

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Een beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als van de minderjarige over wie het gezag wordt uitgeoefend. Blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stemt de maatstaf van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voor gezagsbeëindiging niet geheel overeen met die van artikel 1:266 van het BW. Uit artikel 8 van het EVRM volgt ook het vereiste dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel (het subsidiariteitsbeginsel). Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (het proportionaliteitsbeginsel). De inbreuk op het gezinsleven moet noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [voornaam minderjarige] al jarenlang ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden. Toen zij twee jaar oud was, is zij onder toezicht gesteld en op vijfjarige leeftijd is zij uit huis geplaatst vanwege problematiek bij de moeder. Sindsdien heeft zij meerdere wisselingen van verblijfsplek gehad en heeft zij niet meer bij de moeder gewoond. Er is sprake van een langdurig patroon waarbij het de moeder niet lukt om de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] op zich te nemen; een patroon dat al dertien jaar bestaat. In 2022 is [voornaam minderjarige] met haar grootouders moederszijde naar Suriname verhuisd en in 2025 teruggekeerd naar Nederland. Bij terugkomst moesten allerlei praktische zaken worden geregeld voor [voornaam minderjarige] , hetgeen de moeder niet is gelukt. [voornaam minderjarige] en de moeder hebben tijdens haar verblijf in Suriname geen contact gehad. [voornaam minderjarige] woont momenteel bij Prokino en het is van belang dat zij wordt ondersteund richting volwassenheid. Dit vereist dat praktische zaken voor haar worden geregeld, zodat zij kan toewerken naar een stabiele toekomst.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de kinderrechter de moeder niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] te dragen binnen een voor [voornaam minderjarige] aanvaardbare termijn. De kinderrechter is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a , BW is voldaan en wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder daarom toe.

Voogdij

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De kinderrechter overweegt dat het in het belang is van [voornaam minderjarige] dat op dit moment een neutrale derde partij wordt belast met de voogdij over haar. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI kan de belangen van [voornaam minderjarige] behartigen. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de GI wordt belast met de voogdij over [voornaam minderjarige] .

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1979 in over [voornaam minderjarige] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025 door mr. A.J. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 25 november 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. van Dijk

Griffier

  • mr. R.S.E. Pronk als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?