RECHTBANK ROTTERDAM
Locatie Dordrecht
zaaknummer: 11588815 CV EXPL 25-1026
datum uitspraak: 13 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. C. Buitelaar,
tegen
Timing Flexgroep B.V.,
vestigingsplaats: Dordrecht,
gedaagde,
vertegenwoordigd door mr. R. Sluimer.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Timing’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 4 maart 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de pleitaantekeningen van [eiser] .
Op 8 juli 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. C. Buitelaar en V. Saris, tolk in de Poolse taal. Namens Timing waren aanwezig [persoon A] , mr. R. Sluimer en [persoon B] .
2. De beoordeling
Wat is er gebeurd?
[eiser] is vanaf 31 juli 2017 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Timing. Sinds 31 oktober 2021 werkt [eiser] bij Timing op basis van een uitzend/detacheringsovereenkomst Fase C voor onbepaalde tijd, met een arbeidsomvang van 144 uur per 4 weken (=36 uur per week). Op de uitzend/detacheringsovereenkomst is de ABU cao van toepassing verklaard. [eiser] wordt door Timing tewerkgesteld bij PostNL in Waddinxveen.
De overeengekomen arbeidsomvang van [eiser] is 36 uur per week. Als [eiser] meer werkt dan de overeengekomen 36 uur maar minder dan 39,25 uur, dan spreken partijen over meer-uren. Het aantal van 39,25 uur is gebaseerd op de arbeidsomvang dat een fulltime werknemer heeft bij de inlener PostNL. [eiser] kan per week dus maximaal 3,25 meer-uren werken. Overuren zijn volgens partijen alle uren boven de meer-uren (dus meer dan 39,25 uur per week).
[eiser] is arbeidsongeschikt geweest over de periode van week 2 tot en met week 20 van 2024 en over de periode van week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025. Timing heeft op basis van een arbeidsomvang van 36 uur het loon aan [eiser] doorbetaald. [eiser] stelt zich op het standpunt dat Timing met toepassing van artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao ook rekening had moeten houden met de door hem gewerkte gemiddelde meer-uren en overuren en daarom te weinig loon heeft betaald tijdens zijn twee periodes van ziekte.
Tegen deze achtergrond vordert [eiser] (na beperking van zijn eis ter zitting) dat Timing wordt veroordeeld om aan hem te betalen het achterstallig loon over de periode van week 2 tot en met week 20 van 2024 en over de periode van week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) van 50% en de wettelijke rente over het achterstallig loon en wettelijke verhoging. Daarnaast vordert [eiser] dat Timing wordt veroordeeld aan hem te betalen de buitengerechtelijke incassokosten met wettelijke rente en dat Timing veroordeeld wordt tot overlegging van een correcte bruto/netto betalingsspecificatie voor alle voornoemde vorderingen, op straffe van een dwangsom. Tevens vordert [eiser] dat Timing wordt veroordeeld in de proceskosten met wettelijke rente.
Timing stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
Artikel 25 van de ABU cao
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] op grond van artikel 25 van de Abu cao tijdens de twee periodes van arbeidsongeschiktheid in beginsel recht heeft op doorbetaling van 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon en dat onder het naar tijdruimte vastgestelde loon wordt verstaan het loon overeenkomstig de overeengekomen arbeidsduur (in het geval van [eiser] 36 uur per week). Timing heeft op basis hiervan ook loon aan [eiser] betaald.
In artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao staat, voor zover hier van belang, dat wanneer de feitelijke arbeidsomvang in de periode van dertien kalenderweken voorafgaand aan de week van ziekmelding structureel afwijkt van de overeengekomen arbeidsomvang, het naar tijdruimte vastgestelde loon verschuldigd is over het gemiddelde van alle uren waarover loon is betaald in de afgelopen dertien kalenderweken. Volgens dit artikel zijn overuren hiervan uitgesloten, tenzij er sprake is van structureel overwerk.
Gelet hierop moet dus eerst de feitelijke arbeidsomvang worden vastgesteld in de periode van dertien kalenderwerken voorafgaand aan de week van ziekmelding. Meer-uren moeten hierbij volgens partijen worden meegenomen en overuren mogen hierbij alleen worden meegenomen als sprake is van structureel overwerk. Als de feitelijke arbeidsomvang is vastgesteld, dan kan beoordeeld worden of de feitelijke arbeidsomvang structureel afwijkt van de overeengekomen arbeidsomvang. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, dan is het naar tijdruimte vastgestelde loon verschuldigd over het gemiddelde van alle uren waarover loon is betaald in de afgelopen dertien kalenderweken.
Structureel overwerk
In geschil is of het overwerk dat [eiser] heeft verricht in beide periodes van dertien weken voor zijn ziekmelding moet worden meegenomen bij de berekening van de feitelijke arbeidsomvang. Conform artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao zijn overuren immers hiervan uitgesloten, tenzij sprake is van structureel overwerk. Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer sprake is van structureel overwerk.
Omdat gesteld nog gebleken is dat partijen bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst hebben gesproken over de betekenis van voornoemd artikel uit de cao en Timing tijdens de zitting heeft verklaard niet te kunnen onderbouwen dat [eiser] bij aanvang van de arbeidsovereenkomst het verzuimprotocol heeft ontvangen (waarin volgens Timing wel is afgesproken wanneer sprake is van structureel overwerk), komt de uitleg in dit geval in het bijzonder aan op de taalkundige uitleg van de bewoordingen en hoe partijen die redelijkerwijs mochten opvatten. In het normaal spraakgebruik betekent structureel in deze context: blijvend, duurzaam (Van Dale Online en Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:1121, rechtsoverweging 3.19.). Dat overwerk regelmatig en herhaaldelijk voorkomt is daarom niet voldoende om van structureel overwerk te spreken, wat [eiser] wel stelt. Het moet gaan om meer dan ‘normaal’ overwerk. Overwerk moet dus eerder regel dan uitzondering zijn en bijna altijd voorkomen.
Om te kunnen beoordelen of sprake is van structureel overwerk kan [eiser] , gelet op het voorgaande, niet gevolgd worden in zijn stelling dat uitgegaan moet worden van het gemiddeld aantal overuren in een periode van dertien of veertig weken voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid, omdat dat geen representatieve weergave is van het overwerk. [eiser] heeft immers niet elke week overwerk verricht en ook niet elke week evenveel. Gekeken moet worden naar het aantal weken waarin [eiser] in de periode van dertien kalenderweken voorafgaand aan de week van ziekmelding overwerk heeft verricht. [eiser] heeft in de eerste periode van dertien weken voorafgaand aan de week van de eerste ziekmelding (week 2 tot en met week 20 van 2024) in zeven van de dertien weken overuren gemaakt en in de tweede periode (week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025) in tien van de dertien weken. Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van structureel overwerk, omdat het overwerk niet bijna altijd plaats heeft gevonden. Gelet hierop is omvang van het in die weken verrichte overwerk niet meer van belang.
Feitelijke arbeidsomvang en structurele afwijking
Nu geen sprake is van structureel overwerk kan [eiser] niet gevolgd worden in zijn standpunt dat de overuren meegenomen moeten worden bij de berekening van de feitelijke arbeidsomvang van artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao. De meer-uren moeten volgens partijen wel bij de berekening worden meegenomen. Voor de vraag of sprake is van een structurele afwijking van de arbeidsomvang geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen, namelijk dat gekeken moet worden naar het aantal weken dat [eiser] in de periode van dertien kalenderweken voorafgaand aan de week van ziekmelding meer-uren heeft gemaakt.
Volgens [eiser] heeft hij in de dertien weken voorafgaand aan de eerste ziekmelding in negen van de dertien weken meer-uren gemaakt. Daaruit volgt – aansluitend bij wat hiervoor ten aanzien van de overuren over het woordje structureel is overwogen – dat geen sprake is van een structurele afwijking, omdat de meer-uren niet bijna elke week hebben plaatsgevonden.
In de dertien weken voorafgaand aan de tweede ziekmelding heeft [eiser] echter in twaalf van de dertien weken meer-uren gemaakt. Gelet op dit hoge aantal is de kantonrechter van oordeel dat in deze periode wel gesproken kan worden van het bijna altijd plaatsvinden van meer-uren, zodat in die periode wat betreft de meer-uren wel sprake is van een structurele afwijking van de overeengekomen arbeidsomvang. Het gevolg hiervan is dat gedurende de tweede periode van ziekte het naar tijdruimte vastgestelde loon verschuldigd is over het gemiddelde van alle uren (dus inclusief meer-uren, maar exclusief overuren) waarover loon is betaald in de afgelopen dertien kalenderweken. [eiser] heeft in de tweede periode van ziekte gemiddeld 38,63 uur per week gewerkt (conform productie 10 bij dagvaarding zonder rekening te houden met de overuren), zodat Timing [eiser] op basis daarvan had moeten uitbetalen.
Dat dit slechts een geringe overschrijding (2,63 uur) is van de overeengekomen arbeidsomvang, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. Voor de vraag of sprake is van een structurele afwijking is de omvang van de afwijking namelijk niet van belang, maar wel de blijvendheid en duurzaamheid ervan. Bovendien kan [eiser] slechts 3,25 meer-uren per week maken. Als Timing gevolgd wordt in haar standpunt dat een geringe overschrijding niet relevant is, dan zou bij meer-uren nooit sprake kunnen zijn van de situatie in artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao. Een dergelijke uitleg van de cao-bepaling kan niet de bedoeling zijn geweest. In dat geval zou het er immers niet toedoen hoeveel meer-uren [eiser] gemaakt heeft en zijn alleen structurele overuren van belang.
Op grond van het voorgaande heeft Timing gedurende de tweede periode van arbeidsongeschiktheid van [eiser] (week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025) te weinig loon aan [eiser] betaald. Timing had loon moeten betalen op basis van een feitelijke arbeidsomvang van 38,63 uur per week, maar heeft loon uitbetaald op basis van een arbeidsomvang van 36 uur per week. Aansluitend bij de berekening van [eiser] in zijn dagvaarding, die door Timing niet is betwist, betekent dat dat Timing over week 52 van 2024 2,1 uur te weinig heeft betaald en gedurende de weken 1 tot en met 10 van 2025 2,63 uur. Dit resulteert in een loonvordering van € 500,25 bruto (= 1 week x 2,1 uur x € 19,38 x 90% + 1 week x 2,63 uur x € 19,38 x 90% + 9 weken x 2,63 uur x € 19,61 x 90%). De kantonrechter gaat hierbij, gelet op het verhandelde ter zitting, ervan uit dat Timing over de weken 2 tot en met 10 wel 90% van het loon heeft uitbetaald berekend op basis van een arbeidsomvang van 36 uur per week. Timing wordt gelet hierop veroordeeld om een bedrag van € 500,25 bruto aan achterstallig loon aan [eiser] te betalen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
Omdat Timing, gelet op wat hiervoor is overwogen, een deel van het loon tijdens de tweede periode van arbeidsongeschiktheid niet (en dus te laat) heeft betaald aan [eiser] , moet zij op grond van artikel 7:625 BW de wettelijke verhoging aan [eiser] betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze verhoging te matigen, omdat het verzuimprotocol waar Timing een beroep op doet niet op [eiser] van toepassing is. Timing wordt daarom veroordeeld om de wettelijke verhoging van 50% aan [eiser] te betalen, zijnde € 250,13 bruto.
De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de loonvordering en de wettelijke verhoging (artikel 6:119 BW) wijst de kantonrechter als onbetwist en op de wet gegrond toe.
Bruto/netto betalingsspecificatie
Tegen de door [eiser] gevorderde overlegging van een correcte bruto/netto betalingsspecificatie heeft Timing geen verweer gevoerd, zodat deze vordering wordt toegewezen. De kantonrechter ziet geen reden om hieraan een dwangsom te verbinden, omdat Timing in het verleden altijd bruto/netto betalingsspecificatie heeft verstrekt en er geen aanwijzingen zijn dat zij dat nu niet zal doen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 75,04 (berekend op basis van het toegewezen bedrag aan achterstallig loon van € 500,25), omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt pas toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, omdat [eiser] op die datum recht had op een vergoeding van die kosten (artikel 6:83 b BW).
Proceskosten
Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en Timing daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt Timing om, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto betalingsspecificatie, aan [eiser] te betalen € 750,38 bruto aan achterstallig loon en wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt Timing om aan [eiser] te betalen € 75,04 aan buitengerechtelijke incassokosten met wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
31688