Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10-193994-25 (ontneming)
Datum uitspraak: 3 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
uit andere hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] ,
raadsman mr. E. Alija, advocaat in Roermond.
1. Procedure
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.
2. Voorafgaand vonnis
Bij vonnis van deze rechtbank van 3 december 2025 is de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit, te weten in de periode van 1 september 2023 tot en met 31 december 2024 in totaal € 77.760 witwassen.
Van dat vonnis is een kopie als bijlage A aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
3. Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 77.760,- ;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 77.760,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en van de situatie dat aannemelijk is dat dit strafbare feit op enigerlei wijze ertoe heeft geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
4. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie, gelet op de vrijspraak in de onderliggende strafzaak, in de vordering tot ontneming niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vervolging van de verdachte heeft niet tot een veroordeling geleid en het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit staat aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg (vgl. Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
5. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
6. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. J.H. Janssen en M.J.C. Spoormaker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 december 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.