ECLI:NL:RBROT:2025:14986

ECLI:NL:RBROT:2025:14986, Rechtbank Rotterdam, 15-12-2025, 10-170401-25

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer 10-170401-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Onderzoek Torrance. Veroordeling voor medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen poging afpersing. Vrijspraak voor medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen poging afpersing en medeplegen verkrachting op andere datum. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Vrijheidsbeperkende maatregel contactverbod met aangever en partner voor de duur van 2 jaren. Dadelijk uitvoerbaar. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-170401-25

Datum uitspraak: 15 december 2025

Datum zitting: 1 december 2025

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: R. Moghni

Officier van justitie: K. Mandos

Benadeelde partij: [benadeelde] met advocaat A.C. Göçmen

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met anderen, [slachtoffer] , op 18 maart 2025 en 2 juni 2025 van zijn vrijheid heeft beroofd en met geweld en bedreiging met geweld heeft geprobeerd om hem af te persen. Tijdens het incident op 18 maart zouden de verdachte en zijn medeverdachten de aangever ook hebben verkracht door bij hem een stok in zijn anus in te brengen. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd

gehouden, door

2.

hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en/of Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, de Rietdijk (in Tinte voornoemd), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Gouda en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

4.

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Gouda en/of te Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, de IJssellaan (te Gouda voornoemd) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een ton aan geld, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (meermalen) (met kracht) brengen/houden/plaatsen/ drukken van een stok, althans een (langwerpig) voorwerp, in zijn anus terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wist(en) dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer]

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving op 2 juni 2025 (feit 1), en volledig moet worden vrijgesproken van de poging tot afpersing op 2 juni 2025 (feit 2) en de beschuldigingen met betrekking tot 18 maart 2025 (feit 3 t/m 5).

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat de verdachte

1.

op 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

2.

hij op 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en Rotterdam, op de openbare weg, de Rietdijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, dat aan die [slachtoffer] of een derde toebehoorde

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsoverweging.

1. Verklaring van de verdachte

Op 2 juni 2025 ben ik bij de aangever in Tinte ben geweest. Er zijn klappen gevallen in Tinte. Ik heb de aangever geslagen met platte handen en met vuisten.

2. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]

Op 2 juni 2025 te Tinte voelde ik ineens een hele harde klap op mijn achterhoofd. Ik zag [medeverdachte 1] en [verdachte] . Er waren nog drie andere donkere jongens bij. Ze pakten mij op en gooiden mij in de auto. Ik werd met een veiligheidshelm op mijn hoofd geslagen. [voornaam medeverdachte] sloeg mij met de helm en [voornaam verdachte] reed in de auto. Ik zat helemaal klem op de achterbank. [voornaam medeverdachte] en twee donkere jongens zaten met mij op de achterbank. Ze zeiden dat ze mij dood gingen maken, hebben mij bedreigd en geslagen. [voornaam medeverdachte] heeft mij meerdere keren geslagen, met de veiligheidshelm en met zijn vuisten. Ik mocht mijn gezicht niet beschermen. [voornaam medeverdachte] sloeg met zijn vuisten op mijn gezicht, oor en hoofd. Ik ben naar Rotterdam gebracht. In die woning hebben ze mij geschopt, geslagen, en met een hete lepel mijn rechterbovenbeen verbrand. [voornaam verdachte] heeft mij met de lepel gebrand. [voornaam medeverdachte] en [voornaam verdachte] hebben mij allebei mishandeld. Ze wilden geld van mij. Ik moest iets regelen in de tijd dat ik in die woning zat. Ik heb geen geld en kon dus niks regelen en kreeg dus elke keer klappen. [voornaam verdachte] , [voornaam medeverdachte] en ik zijn weer teruggereden naar de Rietdijk. [voornaam verdachte] vertelde mij voordat ik de auto uit mocht, dat als ik aangifte zou doen, ze mijn hele familie dood zouden gaan schieten.

3. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]

In de woning was op 2 juni 2025 een Surinaamse/Antilliaanse jongen met een baardje en een donkere huidskleur aanwezig. Hij was er in Tinte ook bij.

4. Proces-verbaal van politie, verklaring [medeverdachte 1]

Op 2 juni 2025 in Tinte was ik met [verdachte] . Op die dag heb ik [slachtoffer] gezien. Ik kwam hem confronteren. Op de video uit Tinte zie ik mijzelf slaande bewegingen maken richting [slachtoffer] . Ik heb [slachtoffer] meegenomen in de auto. Ik was niet alleen.

5. Proces-verbaal van politie, verklaring [medeverdachte 2]

Ik ben in Tinte geweest op 2 juni 2025. Ik ben te zien op de camerabeelden. Het klopt dat ik ben meegegaan, wij de aangever hebben opgehaald, en dat wij daarna naar een woning zijn gegaan. Uiteindelijk zijn we in een huis beland.

6. Proces-verbaal van politie

Er was letsel te zien aan het gezicht van aangever [slachtoffer] en aan zijn hand, zijn arm, zijn schouder en zijn benen. Zijn rechteroor en -zijde van zijn hoofd waren enorm gezwollen en rood van kleur. Er bevond zich een roodkleurige schram op zijn schouder en zijn arm. Zijn rechterhand was zichtbaar opgezwollen en lichtroze van kleur. Op de benen van aangever waren ongeveer 5 a 6 brandplekken zichtbaar, ter grootte van inderdaad mogelijk een afdruk van een eetlepel, waarvan bij een aantal plekken zichtbaar de bovenste laag huid eraf was.

Bewijsoverweging

De rechtbank volgt grotendeels de verklaring van de aangever over wat er gebeurd is op 2 juni 2025. De aangever heeft daar uitvoerig en gedetailleerd over verklaard. Bovendien passen zijn letsels, waaronder de lepelvormige brandwonden op zijn bovenbeen, bij het geweld waar hij over heeft verklaard. Verder wordt de aangifte op onderdelen bevestigd door de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten.

Vrijspraak feiten 3, 4 en 5

Het dossier biedt onvoldoende steunbewijs bij de verklaring van de aangever over deze dag, en daarom zal de rechtbank de verdachte van de beschuldigingen onder 3 tot en met 5 vrijspreken.

Volgens de aangever is hij op 18 maart 2025 door de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] meegenomen, met geweld afgeperst en met een stok verkracht. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij die dag de aangever weliswaar hebben gezien in Gouda, maar dat de beschuldigingen van de aangever over wat zij hem aangedaan zouden hebben die dag niet waar zijn. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat dit incident heeft plaatsgevonden op de wijze als de aangever heeft verklaard. Hierbij is met name van belang dat de aangever nog dezelfde avond naar de spoedeisende hulp is gegaan maar dat daar bij hem geen letsel is waargenomen. Dat er, kort nadat de aangever het slachtoffer zou zijn geworden van forse geweldshandelingen, geen enkel letsel bij hem geconstateerd is, vindt de rechtbank een sterke contra-indicatie om aan te kunnen nemen dat hetgeen de aangever heeft verklaard ook daadwerkelijk op die wijze gebeurd is. Het staat vast dat de aangever, de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] elkaar die dag in Gouda hebben getroffen en de rechtbank acht het voorstelbaar dat er die dag ook een (gewelddadige) confrontatie heeft plaatsgevonden, maar wat tijdens een dergelijke confrontatie is gebeurd, is op basis van het dossier en hetgeen is besproken op zitting niet vast te stellen.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

De eendaadse samenloop van

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de beschuldigingen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest opgelegd krijgen. Daarnaast moet aan hem de vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangever en zijn (ex-) partner.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft in het kader van een zakelijk geschil samen met zijn medeverdachten de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en geprobeerd om hem met fors geweld en bedreiging met geweld af te persen. De aangever is hierbij geschopt, geslagen met de hand, met de vuist en met een helm, en bedreigd. Met een hete lepel zijn op meerdere plaatsen op zijn been brandwonden toegebracht. Deze wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot afpersing zijn maffia-achtige en - juist daarmee - de rechtsorde ernstig schokkende feiten. Verdachte en zijn medeverdachten hebben een grove inbreuk gemaakt op de vrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft bij deze handelingen een hoofdrol gehad.

Dat deze feiten daadwerkelijk nadelige fysieke en psychische gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer, is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting namens hem is voorgedragen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 oktober 2025 blijkt dat de verdachte niet recent onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Omdat de rechtbank minder feiten bewezen verklaart dan de officier van justitie heeft gevorderd, komt zij wel tot een lagere gevangenisstraf dan geëist. De rechtbank vindt een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend. Een deel van deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, zal voorwaardelijk worden opgelegd, met als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf zal de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht worden afgetrokken.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het geschil tussen de aangever en de verdachten nog niet is opgelost. Om verdere strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 2 jaren. Deze maatregel betreft een contactverbod met de aangever en diens (ex-)partner.

Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van één week, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar. Dit betekent dat de maatregel per direct geldt, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Het geschil tussen de aangever en de verdachten is nog niet opgelost en er zijn dreigementen geuit in de richting van de familie van de aangever. Daarom moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt ten aanzien van de aangever en diens (ex-)partner.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [slachtoffer]

heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 23.936,03 als vergoeding voor materiële schade en € 34.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan in zijn volledigheid worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Primair dient de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat hij failliet is verklaard en de vordering dus moet worden ingediend door zijn curator. Subsidiair moet de vordering, met uitzondering van een deel van het eigen risico, niet-ontvankelijk worden verklaard of worden afgewezen wegens een gebrek aan voldoende onderbouwing en/of causaal verband.

Oordeel van de rechtbank

Faillissement

Uit de openbare registers volgt niet dat de verdachte (nog steeds) failliet is. Hetgeen is aangevoerd door de verdediging leidt daarom niet op voorhand tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten. Met uitzondering van het deel van het eigen risico dat is betaald na 2 juni 2025 ter hoogte van € 324,20, is evenwel niet komen vast te staan dat de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg is van die bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de gevorderde gederfde inkomsten geldt dat deze zijn onderbouwd met 2 facturen die dateren van vóór de bewezenverklaarde feiten, zodat er om die reden geen rechtstreeks verband lijkt te bestaan. Voor de overige posten aan gevorderde materiële schade (huur, autokosten en leefgeld) geldt dat het rechtstreeks verband onvoldoende is komen vast te staan. Dit betreffen kosten die zijn voorgeschoten door de moeder en de zus van de benadeelde partij, omdat hij die zelf niet kon betalen. De benadeelde partij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat dit financieel onvermogen is veroorzaakt door de bewezenverklaarde feiten. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.

Daarnaast liggen de aantasting van de persoon en de nadelige gevolgen voor de benadeelde voor de hand, gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten. Daarmee is naast het lichamelijk letsel ook sprake van aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, ook zonder dat is komen vast te staan dat daardoor geestelijk letsel is ontstaan.

De schade ten gevolge van de bewezenverklaarde strafbare feiten zal door de rechtbank worden begroot op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente over het materiële deel van de schadevergoeding toe vanaf 5 juni 2025 en over het immateriële deel van de schadevergoeding vanaf 2 juni 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 61 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 55, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 3, 4 en 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten opleveren de voornoemde strafbare feiten;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat 12 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de hieronder beschreven algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)

legt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren, inhoudende dat de verdachte:

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van een week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 5.324,20, bestaande uit € 324,20 als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade. Over de materiële schade dient wettelijke rente te worden betaald vanaf 5 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Over de immateriële schade dient wettelijke rente te worden betaald vanaf 2 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 5.324,20 te betalen. Over een bedrag van € 324,20 wettelijke rente te worden betaald vanaf 5 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Over een bedrag van € 5.000,- dient wettelijke rente te worden betaald vanaf 2 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 61 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

J.H. Janssen, voorzitter,

en W.J. de Veld en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van M.S. Westhof, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 december 2025.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?