Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-193319-25
Datum uitspraak: 15 december 2025
Datum zitting: 1 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: S. Splinter
Officier van justitie: K. Mandos
Benadeelde partij: [slachtoffer] met advocaat A.C. Göçmen
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met anderen, [slachtoffer] , op 18 maart 2025 en 2 juni 2025 van zijn vrijheid heeft beroofd en met geweld en bedreiging met geweld heeft geprobeerd om hem af te persen. Tijdens het incident op 18 maart zouden de verdachte en zijn medeverdachten de aangever ook hebben verkracht door bij hem een stok in zijn anus in te brengen. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd
gehouden, door
2.
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en/of Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, de Rietdijk (in Tinte voornoemd), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3.
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Gouda en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
4.
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Gouda en/of te Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, de IJssellaan (te Gouda voornoemd) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een ton aan geld, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5.
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (meermalen) (met kracht) brengen/houden/plaatsen/ drukken van een stok, althans een (langwerpig) voorwerp, in zijn anus terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wist(en) dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer]
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de beschuldigingen onder 1 en 2.
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken van alle beschuldigingen.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte
1.
op 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
2.
op 2 juni 2025 te Tinte, gemeente Voorne aan Zee, en Rotterdam, op de openbare weg, de Rietdijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, dat aan die [slachtoffer] of een derde toebehoorde
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsoverweging.
1. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]
Op 2 juni 2025 te Tinte voelde ik ineens een hele harde klap op mijn achterhoofd. Ik zag [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Er waren nog drie andere donkere jongens bij. Ze pakten mij op en gooiden mij in de auto. Ik werd met een veiligheidshelm op mijn hoofd geslagen. [voornaam medeverdachte 1] sloeg mij met de helm en [voornaam medeverdachte 2] reed in de auto. Ik zat helemaal klem op de achterbank. [voornaam medeverdachte 1] en twee donkere jongens zaten met mij op de achterbank. Ze zeiden dat ze mij dood gingen maken, hebben mij bedreigd en geslagen. [voornaam medeverdachte 1] heeft mij meerdere keren geslagen, met de veiligheidshelm en met zijn vuisten. Ik mocht mijn gezicht niet beschermen. [voornaam medeverdachte 1] sloeg met zijn vuisten op mijn gezicht, oor en hoofd. Ik ben naar Rotterdam gebracht. Ze wilden geld van mij.
2. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]
In de woning was op 2 juni 2025 een Surinaamse/Antilliaanse jongen met een baardje en een donkere huidskleur aanwezig. Hij was er in Tinte ook bij.
3. Proces-verbaal van politie, verklaring [medeverdachte 1]
Op 2 juni 2025 in Tinte was ik met [medeverdachte 2] . Op die dag heb ik [slachtoffer] gezien. Ik kwam hem confronteren. Op de video uit Tinte zie ik mijzelf slaande bewegingen maken richting [slachtoffer] . Ik heb [slachtoffer] meegenomen in de auto. Ik was niet alleen.
4. Proces-verbaal van politie, verklaring [verdachte]
Ik ben in Tinte geweest op 2 juni 2025. Ik ben te zien op de camerabeelden. Het klopt dat ik ben meegegaan, wij de aangever hebben opgehaald, en dat wij daarna naar een woning zijn gegaan. Uiteindelijk zijn we in een huis beland.
5. Proces-verbaal van politie
Er was letsel te zien aan het gezicht van aangever [slachtoffer] en aan zijn hand, zijn arm, zijn schouder en zijn benen. Zijn rechteroor en -zijde van zijn hoofd waren enorm gezwollen en rood van kleur. Er bevond zich een roodkleurige schram op zijn schouder en zijn arm. Zijn rechterhand was zichtbaar opgezwollen en lichtroze van kleur.
Bewijsoverweging
De rechtbank volgt grotendeels de verklaring van de aangever over wat er gebeurd is op 2 juni 2025. De aangever heeft daar uitvoerig en gedetailleerd over verklaard. Bovendien passen zijn letsels bij het geweld waar hij over heeft verklaard. Verder wordt de aangifte op onderdelen bevestigd door de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten.
Dat de aangever heeft verklaard dat alleen de medeverdachten, en dus niet de verdachte, geweldshandelingen hebben gepleegd, maakt dit niet anders. De verdachte heeft zich tenslotte niet gedistantieerd van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de poging tot afpersing en heeft, onder meer door aanwezig te zijn en de dadersgroep getalsmatig te versterken, een essentiële, wezenlijke en intellectuele bijdrage aan de feiten geleverd. De verdachte heeft zich dus samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de poging tot afpersing. De verdachte wordt wel vrijgesproken van een deel van de geweldshandelingen, nu uit zijn eigen verklaring en die van de medeverdachten volgt dat hij de woning in Rotterdam heeft verlaten voordat deze handelingen hebben plaatsgevonden.
Vrijspraak
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de beschuldigingen onder 3 tot en met 5 niet wettig en overtuigend bewezen zijn, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
De eendaadse samenloop van
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de beschuldigingen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest opgelegd krijgen. Daarnaast moet aan hem de vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangever en zijn (ex) partner.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft in het kader van een zakelijk geschil samen met zijn medeverdachten de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en geprobeerd om hem met fors geweld en bedreiging met geweld af te persen. De aangever is hierbij geschopt, geslagen met de hand, met de vuist en met een helm, en bedreigd. Deze wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot afpersing zijn maffia-achtige en – juist daarmee – de rechtsorde ernstig schokkende feiten. Verdachte en zijn medeverdachten hebben daarbij ook een grove inbreuk gemaakt op de vrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Dat deze feiten daadwerkelijk nadelige fysieke en psychische gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer, is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting namens hem is voorgedragen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Mede omdat de rechtbank tot een deels andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie heeft gevorderd, komt zij wel tot een lagere gevangenisstraf dan geëist. De rechtbank neemt daarnaast mee dat de verdachte een minder grote rol heeft gespeeld bij de feiten dan zijn medeverdachten en zelf geen geweld heeft gebruikt. Om deze redenen wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd. Een deel van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, zal voorwaardelijk worden opgelegd, met als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf zal de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht worden afgetrokken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen, aangezien de verdachte geen aandeel heeft in het zakelijke geschil tussen de aangever en zijn medeverdachten.
5. Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen. Omdat de rechtbank, anders dan de verdediging, tot een bewezenverklaring komt en de verdachte veroordeelt, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
6. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 23.936,03 als vergoeding voor materiële schade en € 34.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan in zijn volledigheid worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Primair dient de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat hij failliet is verklaard en de vordering dus moet worden ingediend door zijn curator. Subsidiair moet de vordering, met uitzondering van een deel van het eigen risico, niet-ontvankelijk worden verklaard of worden afgewezen wegens een gebrek aan voldoende onderbouwing en/of causaal verband.
Oordeel van de rechtbank
Faillissement
Uit de openbare registers volgt niet dat de verdachte (nog steeds) failliet is. Hetgeen is aangevoerd door de verdediging leidt daarom niet op voorhand tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten. Met uitzondering van het deel van het eigen risico dat is betaald na 2 juni 2025 ter hoogte van € 324,20, is evenwel niet komen vast te staan dat de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg is van die bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de gevorderde gederfde inkomsten geldt dat deze zijn onderbouwd met 2 facturen die dateren van vóór de bewezenverklaarde feiten, zodat er om die reden geen rechtstreeks verband lijkt te bestaan. Voor de overige posten aan gevorderde materiële schade (huur, autokosten en leefgeld) geldt dat het rechtstreeks verband onvoldoende is komen vast te staan. Dit betreffen kosten die zijn voorgeschoten door de moeder en de zus van de benadeelde partij, omdat hij die zelf niet kon betalen. De benadeelde partij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat dit financieel onvermogen is veroorzaakt door de bewezenverklaarde feiten. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Daarnaast liggen de aantasting van de persoon en de nadelige gevolgen voor de benadeelde voor de hand, gelet op de aard en de ernst van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten. Daarmee is naast het lichamelijk letsel ook sprake van aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, ook zonder dat is komen vast te staan dat daardoor geestelijk letsel is ontstaan.
De schade ten gevolge van de bewezenverklaarde strafbare feiten zal door de rechtbank worden begroot op € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. De verdachte is voor zijn aandeel bij de bewezenverklaarde feiten hoofdelijk aansprakelijk tot een bedrag van € 3.324,20. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente over het materiële deel van de schadevergoeding toe vanaf 5 juni 2025 en over het immateriële deel van de schadevergoeding vanaf 2 juni 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 42 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 55, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 3, 4 en 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten opleveren de voornoemde strafbare feiten;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat 10 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de hieronder beschreven algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 3.324,20, bestaande uit € 324,20 als vergoeding van materiële schade en € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade. Over de materiële schade dient wettelijke rente te worden betaald vanaf 5 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Over de immateriële schade dient wettelijke rente te worden betaald vanaf 2 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 3.324,20 te betalen. Over een bedrag van € 324,20 wettelijke rente te worden betaald vanaf 5 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Over een bedrag van € 3.000,- dient wettelijke rente te worden betaald vanaf 2 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 42 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed. De verdachte is voor zijn aandeel bij de bewezenverklaarde feiten hoofdelijk aansprakelijk tot een bedrag van € 3.324,20.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
J.H. Janssen, voorzitter,
en W.J. de Veld en J.C. Tijink, rechters,
in tegenwoordigheid van M.S. Westhof, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 december 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.