ECLI:NL:RBROT:2025:15030

ECLI:NL:RBROT:2025:15030, Rechtbank Rotterdam, 19-12-2025, C/10/710097 / KG ZA 25-1131

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer C/10/710097 / KG ZA 25-1131
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling tot nakoming zorgregeling met dwangsom. Zorgen met betrekking tot onveiligheid onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team familie

Zaaknummer: C/10/710097 / KG ZA 25-1131

Vonnis in kort geding van 19 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.T.M. Sengers,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.A.Y. Jacques.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties van 9 december 2025;

het bericht met producties van de man van 17 december 2025;

de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door L. van der Veen.

De vrouw heeft de dag van de mondelinge behandeling (18 december 2025 om 00.53 uur) een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit stuk niet in behandeling genomen. Volgens artikel 3.16. van het landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken worden processtukken die binnen 24 uur vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing gelaten. De voorzieningenrechter heeft (evenals de man) door de late indiening van dit stuk onvoldoende gelegenheid om daarvan kennis te nemen en de man heeft onvoldoende gelegenheid om er adequaat op te kunnen reageren, waardoor toelating van dit processtuk in strijd zou zijn met de goede procesorde. Dat betekent dat de eis in reconventie ook niet in behandeling is genomen en daarop dus ook niet wordt geoordeeld.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats].

De man heeft de minderjarige erkend.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024 (C/10/672853) is bepaald dat de ouders het ouderlijk gezag over de minderjarige gezamenlijk uitoefenen.

Bij die beschikking van 19 september 2024 is eveneens een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang – bepaald dat de minderjarige na een opbouw in het kader van de zorgregeling één keer per veertien dagen bij de man zal zijn van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, waarbij de man de minderjarige telkens bij de vrouw zal ophalen en terugbrengen. Daarnaast mag de man elke dinsdag en donderdag van 18.00 uur tot maximaal 18.15 uur via Facetime contact hebben met de minderjarige. De rechtbank heeft voorts een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.

3. Het geschil

De man vordert – samengevat – de vrouw te veroordelen mee te werken aan de zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling die is vastgesteld bij beschikking van 19 september 2024, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw zich niet aan deze veroordeling houdt met een maximum van € 10.000,- en met machtiging van de man tot tenuitvoerlegging van het vonnis met behulp van de sterke arm van justitie en politie. De man vordert daarnaast de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Spoedeisend belang

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw sinds 7 november 2025 de uitvoering van de zorgregeling heeft stopgezet, met uitzondering van de videobelcontacten tussen de man en de minderjarige. Sindsdien hebben de man en de minderjarige elkaar niet meer fysiek gezien. Volgens de man is daarmee het spoedeisend belang bij zijn vordering gegeven. De vrouw voert aan dat de man geen spoedeisend belang heeft omdat de man nog wel de gelegenheid heeft om contact te hebben met de minderjarige middels het videobellen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, nu er sinds 7 november 2025 geen uitvoering wordt gegeven aan de fysieke omgangsmomenten tussen de man en de minderjarige. Videobelcontacten zijn in het algemeen geen volwaardige vervanging voor fysiek contact met een 5½-jarige, nog daargelaten dat partijen twisten over de vraag of die contacten in de praktijk zo plaatsvinden als zou moeten. De man is ontvankelijk in zijn verzoek en de voorzieningenrechter zal de vorderingen inhoudelijk beoordelen.

Nakoming van de zorgregeling

Het uitgangspunt is dat een rechterlijke uitspraak over de omgang moet worden

nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is wanneer na de

uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming van die uitspraak

in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer bij

het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De vrouw voert – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan.

Fysieke omgang is niet in het belang van de minderjarige. Er zijn zorgen over de veiligheid van de minderjarige als zij bij de man is. De minderjarige heeft uitlatingen gedaan die wijzen op strafbaar handelen; op dit moment is de zedenpolitie bezig dat te onderzoeken. Er waren eerder soortgelijke zorgen en daarom is ook in 2022 en de zomer van 2023 de omgang gestopt. Toen kon de minderjarige echter zelf nog niet goed aangeven wat er gebeurd was.

De man voert – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan.

De vrouw heeft de zorgregeling wat betreft de fysieke omgangsmomenten eenzijdig gestopt, zonder gegronde reden. Het is schadelijk voor de minderjarige dat zij plots geen omgang meer heeft met de man en het is om de goede band tussen de man en de minderjarige te behouden belangrijk dat de fysieke omgangsmomenten zo snel mogelijk worden hervat.

De zorgen van de vrouw zijn niet nieuw, maar de eerdere beschuldigingen konden niet worden hardgemaakt en nu is sprake van een herhaling van zetten. Toen de rechtbank in september 2024 de zorgregeling heeft bepaald, zijn deze zorgen van de vrouw bovendien ook al meegewogen. De zorgen van de vrouw komen vooral voort uit haar wantrouwen jegens hem. De rechtbank heeft in de beschikking van 19 september 2024 terecht geoordeeld dat er geen redenen zijn dat er geen omgang kan zijn tussen de man en de minderjarige, en dient de vrouw de vastgestelde zorgregeling dus ook na te komen.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat vanuit de visie van de raad deze situatie waarbij de ene ouder de andere ouder geen fysiek contact met de minderjarige toestaan, schadelijk is voor de minderjarige, ook al is dit ingegeven door zorgen omtrent de veiligheid. Dit geldt zowel in het geval dat de zorgen van de vrouw terecht blijken, als in het geval dat deze ongegrond zijn. Volgens de raad is het in het belang van de minderjarige dat de fysieke omgang met de man wordt hervat, maar wel begeleid, zodat verdere discussie lopende het onderzoek voorkomen wordt. De man woont bij zijn ouders, waardoor bij de uitvoering van de zorgregeling een vorm van begeleiding aanwezig is.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat het nakomen van de zorgregeling in strijd is met de belangen van de minderjarige. De vrouw heeft ook niet aangetoond dat de rechtbank bij het vaststellen van de zorgregeling van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Voor zover de vrouw aanvoert dat de minderjarige de afgelopen periode concrete(re) uitlatingen heeft gedaan waardoor een strafrechtelijk onderzoek is gestart, heeft de vrouw dit onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter tast, met de man, zo goed als volledig in het duister wat er aan de hand zou zijn. Daarover wordt geen openheid van zaken gegeven, noch aan de man, noch aan de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft niets concreets waaruit kan volgen dat de minderjarige nu, in tegenstelling tot toen de rechtbank de zorgregeling heeft vastgesteld, niet veilig is bij de man. Moeder deelt haar concrete waarnemingen niet. Evenmin zijn er recente signalen bekend vanuit onafhankelijke derden zoals een huisarts of school, die duiden op onveiligheid. De enkele stelling van de vrouw dat een strafrechtelijk onderzoek is gestart, is onvoldoende.

De voorzieningenrechter is, al het voorgaande afwegend, van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 19 september 2024 wordt nagekomen. Het feit dat de ouders van de man doorgaans aanwezig of in buurt zijn, de man woont immers bij hen in, is op dit moment een voldoende waarborg. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de uitvoering van de zorgregeling dan ook toewijzen.

Dwangsom

Zoals hiervoor geoordeeld is het in het belang van de minderjarige dat de zorgregeling met de man zo snel mogelijk wordt hervat. Gelet op dit belang van de minderjarige en het feit dat de vrouw de fysieke omgangsmomenten – niet voor de eerste keer – eenzijdig heeft stopgezet, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevorderde dwangsom te verbinden aan het nakomen van de zorgregeling. De voorzieningenrechter zal een dwangsom vaststellen zoals omschreven in de beslissing. Onder omgangsperiode wordt verstaan een periode van een of meer aaneengesloten dagen dat de man volgens de zorgregeling de zorg voor de minderjarige heeft. De komende kerstvakantie kent dus twee omgangsperiodes. De voorzieningenrechter heeft ermee rekening gehouden dat partijen na ontvangst van dit vonnis enige tijd nodig zullen hebben om bepaalde dingen praktisch af te stemmen. De dwangsom wordt in tijd beperkt en daarmee tevens in hoogte.

Tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm van justitie en politie

De vordering van de man om hem te machtigen het vonnis met behulp van de sterke arm van justitie en politie ten uitvoer te leggen, wijst de voorzieningenrechter af. De man heeft, nu de vrouw bij dit vonnis veroordeeld wordt tot nakoming van de zorgregeling waarbij zij een dwangsom verbeurt wanneer zij daar niet aan voldoet, een minder ingrijpend middel om aan te wenden wanneer de vrouw zich niet aan de zorgregeling houdt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de dwangsom een voldoende prikkel is om de vrouw te bewegen tot nakoming.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat is gevorderd en het is ook het gebruik in procedures als deze. Er is geen apart verweer tegen gericht. Daarnaast is de voorzieningenrechter ook ambtshalve van oordeel dat de belangen van de man en de minderjarige bij directe uitvoerbaarheid groter zijn dan de belangen bij de vrouw. De minderjarige heeft recht op de zorg van haar vader.

Proceskosten

Uitgangspunt in familiezaken is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt de vrouw om mee te werken aan de zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling zoals vastgelegd bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024 (C/10/672853);

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen als zij na betekening van dit vonnis niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, te weten

- € 2.500,‑ voor elke omgangsperiode of gedeelte daarvan in de kerstvakantie 2025/2026, met dien verstande dat de dwangsom niet kan worden verbeurd vóór 20 december 2025, 12.00 uur;

- € 500,‑ voor elke volgende omgangsperiode of gedeelte daarvan;

bepaalt dat geen dwangsommen kunnen worden verbeurd na 19 juni 2026;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?