Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoeker]
en
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 12 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025.
Ter zitting van 13 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers willen een oplossing voor hun schuldenproblematiek. Zij hebben zich hiervoor gewend tot Zuidweg en Partners. Verzoeker was werkzaam als zelfstandig ondernemer. Verzoekster werkt niet. Zuidweg en Partners heeft aangegeven dat de onderneming van verzoeker niet levensvatbaar was. Verzoeker heeft op hun advies de onderneming per 2 oktober 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het schuldhulpverleningstraject is inmiddels door Zuidweg en Partners overgedragen aan de gemeente.
Er is een spoedaanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend bij de gemeente en er zijn toeslagen aangevraagd. Door het beëindigen van de onderneming en de aanvraag van de bijstandsuitkering hebben verzoekers op dit moment geen inkomsten. De huur van oktober 2025 is hierdoor niet voldaan. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat hem is toegezegd dat de uitkering zal worden toegekend. Vanaf wanneer verzoekers dit zullen gaan ontvangen is echter onduidelijk.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 8 februari 2021 ten uitvoer kan leggen.
Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers ontvangen op dit moment geen inkomsten. De huur over oktober 2025 is hierdoor niet voldaan. Er is een spoedaanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering en er zijn toeslagen aangevraagd. Het is echter onduidelijk binnen welk termijn er een beslissing volgt op de uitkeringsaanvraag. Hierdoor is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk of verzoekers de lopende huurtermijnen tijdig kunnen voldoen. Daarnaast is het schuldhulpverleningstraject door Zuidweg en Partners zeer recent overgedragen aan de gemeente. Het schuldhulpverleningstraject bevindt zich dus slechts in het beginstadium. Er is voor de rechtbank geen vooruitgang gebleken bij verzoekers om met de schuldeisers een regeling tot stand te brengen. Verzoekers voldoen thans niet aan de vereisten om het verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw te kunnen toewijzen. Het belang van verweerster dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoekers. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.