Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 27 oktober 2025
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 3 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 20 oktober 2025.
Ter zitting van 20 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Juridisch Eigenaar Certitudo iResidence V, gevestigd te ’s-Hertogenbosch (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft ter zitting een betaalbewijs van de huur over oktober 2025 overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de schulden, waaronder de huurachterstand, zijn ontstaan door het plotselinge overlijden van zijn vader. Verzoeker heeft van 2010 tot 2023 in het buitenland verbleven. Verzoeker heeft zijn huidige baan sinds september 2024. Hij wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich hiervoor gewend tot schuldhulpverlening van de gemeente. Daarnaast heeft verzoeker zich per 1 augustus 2025 onder beschermingsbewind laten stellen.
Verzoeker ontvangt inkomen uit arbeid ter hoogte van € 3.371,73 per maand. Het inkomen is toereikend om de lopende huur van € 1.041,92 per maand te voldoen. De huur over september 2025 heeft verzoeker voldaan op 2 september 2025 en de huur over oktober 2025 is voldaan op 1 oktober 2025.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het beschermingsbewind inmiddels is opgestart. Zij heeft in september 2025 de eerste loonbetaling ontvangen waarna zij de vaste lasten, waaronder de huur, heeft kunnen voldoen. Daarnaast is zij in contact met schuldhulpverlening. Zij verwacht dat het schuldhulpverleningstraject op korte termijn kan worden gestart.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 21 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 15 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomen uit arbeid. Het inkomen is voldoende om de lopende huurbetalingen tijdig te kunnen voldoen. De huur over september 2025 heeft verzoeker voldaan op 2 september 2025 en de huur over oktober 2025 is voldaan op 1 oktober 2025. Voorts staat verzoeker onder beschermingsbewind en zijn vaste lasten, waaronder de huur, worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan. Hierdoor is voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
5 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.