Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
tussentijdse beëindiging
[insolventienummer]
uitspraakdatum: 8 oktober 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 18 december 2024 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenares] ,
[adres]
[postcode] [plaats] ,
schuldenares,
bewindvoerder: mr. N.N. van Klaveren.
1. De procedure
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 16 juli 2025 met dit verzoek ingestemd.
Op 30 september 2025 heeft schuldenares voorafgaand aan de zitting de rechtbank telefonisch laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen wegens ziekte.
Ter zitting van 30 september 2025 is verschenen en gehoord:
- mevrouw E.A. de Snoo, (waarnemend) bewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. De standpunten
Standpunt bewindvoerder
Als grond voor de voordracht van tussentijdse beëindiging is door de bewindvoerder aangevoerd dat schuldenares de informatieplicht, de inspanningsplicht en de plicht om geen bovenmatige nieuwe schulden te laten ontstaan, niet is nagekomen. Schuldenares laat na diverse inlichtingen aan de bewindvoerder over te leggen. Schuldenares heeft onder meer geen medische stukken waaruit arbeidsongeschiktheid blijkt dan wel sollicitatiebewijzen vanaf maart 2025 overgelegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of schuldenares de op haar rustende inspanningsplicht naar behoren nakomt. Verder wordt de bewindvoerder door het Zilveren Kruis maandelijks bericht dat een betalingsachterstand is ontstaan. De bewindvoerder handhaaft haar voordracht tot tussentijdse beëindiging ter zitting van 30 september 2025.
Standpunt schuldenares
Schuldenares is, ondanks het feit dat zij behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen wegens ziekte.
3. De beoordeling
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na achttien maanden een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 26.218,57 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, haar inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenares is tekortgeschoten in de nakoming van haar informatieplicht, inspanningsplicht en de plicht om geen bovenmatige nieuwe schulden te laten ontstaan. Schuldenares is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie, waaronder medische stukken waaruit arbeidsongeschiktheid blijkt dan wel sollicitatiebewijzen vanaf maart 2025, bij de bewindvoerder aan te leveren hetgeen tot op heden niet is gebeurd. Ook heeft schuldenares een nieuwe schuld bij het Zilveren Kruis laten ontstaan.
Uit de toelichting van de bewindvoerder en het proces-verbaal van het verhoor van 19 juni 2025 bij de rechter-commissaris blijkt dat schuldenares te kennen heeft gegeven niet langer in de wettelijke schuldsaneringsregeling te willen blijven en een voorkeur te geven aan een oplossing van haar schulden buiten de regeling om. Tijdens het verhoor is besproken dat, mocht schuldenares na het verhoor van gedachten veranderen en toch in de wettelijke schuldsaneringsregeling willen blijven, het noodzakelijk is om onder beschermingsbewind te gaan. De bewindvoerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat schuldenares ook hier niet toe bereid is. Gelet hierop en de ontstane tekortkomingen ziet de rechtbank aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenares niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenares, in elk geval na het verhoor door de rechter-commissaris op 19 juni 2025, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest.
De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet (hierna: Fw).
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
4. De beslissing
De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.283,80.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.