RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11755010 RR FORM 25-48
datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Den Haag,
eiser,
gemachtigde: mr. E.M. Prins,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagden]’ genoemd.
1. De procedure
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter (hierna: rechter) op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het aanvraagformulier van [eiser] dat de rechtbank op 18 juni 2025 heeft ontvangen, met bijlagen,
nadere stukken van [eiser], ontvangen door de rechtbank op 24 juni 2025,
nadere stukken van [eiser], ontvangen door de rechtbank op 22 juli 2025.
Op 20 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Aanwezig waren [eiser], zijn gemachtigde, [naam 1] (voormalig medehuurster), [naam 2] en [naam 3] (tolk, [huisnummer]).
[gedaagden] zijn niet in de procedure verschenen. Tegen hen is daarom verstek verleend (artikel 14 lid 1 Besluit).
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiser] eist in deze procedure betaling van € 600,-. Volgens hem is het volgende gebeurd. [eiser] heeft samen met twee andere huurders de woning aan de [adres] van [gedaagden] gehuurd. De huurrelatie is inmiddels beëindigd en alle huurders hebben de woning verlaten. Volgens [eiser] hebben de huurders bij aanvang van de huur € 3.000,- borg aan [gedaagden] betaald. Na het einde van de huurrelatie hebben de huurders € 2.400,- aan borg terug gekregen in plaats van de hele borgsom. [eiser] vindt dat [gedaagden] ook het restant van de borgsom van € 600,- aan hem terug moeten betalen.
[eiser] krijgt gelijk
[gedaagden] hebben niet op de eis gereageerd. De rechter wijst de eis toe, omdat die niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv).
[gedaagden] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden], omdat zij ongelijk krijgen (artikel 15 Besluit). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW). De regelrechter begroot de kosten die [gedaagden] aan [eiser] moeten betalen op € 90,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € € 427,50. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagden] daar niet op hebben gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De rechter:
veroordeelt [gedaagden] om € 600,- aan [eiser] te betalen;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 427,50;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
43416
Bent u gedaagde en bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u in verzet gaan. U moet daarvoor een brief of mail sturen aan de griffier van deze rechtbank. U heeft hiervoor vier weken de tijd. Wanneer die vier weken beginnen staat in artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.