Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/702156 / FA RK 25-4877
Beschikking van 11 december 2025 over het ouderlijk gezag en de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.-M.F. Honders te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
In deze zaak is belanghebbende:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 juni 2025;
het bericht met bijlage van de man van 2 november 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij is de man verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw, de GI en de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).
De man heeft de minderjarige erkend.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Belgische nationaliteit.
Op 27 augustus 2025 is als status van de vrouw in de basisregistratie personen opgenomen “emigratie”, met als land van verblijf België. Rond die tijd is zij ook feitelijk met de minderjarige verhuisd naar België.
3. De beoordeling
Hoofdzaak
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige, op het moment van indiening van het verzoekschrift, in Nederland was gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (HKV 1996) Nederlands recht toe op het verzoek.
Gezag
De man verzoekt te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw met het gezag over de minderjarige wordt belast.
De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 16, eerste lid, HKV 1996 wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Dat was, op het moment van geboorte, België. De hoofdregel in het Belgische recht is dat de juridische ouders van het kind gezamenlijk gezag uitoefenen. De rechtbank is niet gebleken van een uitzondering of van enige beslissing die het gezamenlijk gezag na het ontstaan daarvan heeft aangetast.
Op grond van artikel 16, derde lid, HKV 1996 blijft de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan na verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dat betekent dat, na verplaatsing van het hoofdverblijf naar Nederland, het gezamenlijk gezag in stand bleef. Het houdt ook in dat na de recente verplaatsing van het hoofdverblijf naar België het gezamenlijk gezag in stand is gebleven.
De rechtbank concludeert dan ook dat er al sprake is van gezamenlijk gezag. Daarom heeft de man geen belang bij zijn verzoek. Om die reden zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren.
Dat Nederlandse (jeugdbeschermings-)instanties, naar de man stelt, wel altijd uit zijn gegaan van eenhoofdig gezag van de vrouw, maakt dit alles niet anders. De gezagssituatie is immers niet afhankelijk van het oordeel van dergelijke instanties.
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
Toepasselijk recht
Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing (artikel 10:3 BW). Daarom is het Nederlands procesrecht van toepassing op een verzoek om een voorlopige voorziening, zoals is verzocht op grond van artikel 223 Rv.
Omdat de voorlopige voorziening en de bodemprocedure gelijktijdig zijn behandeld en op het verzoek in de bodemzaak is beslist, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek in het kader van de voorlopige voorziening. Immers, een op basis van artikel 223 Rv gegeven voorlopige voorziening geldt slechts voor de duur van het geding en het geding eindigt met deze beschikking. De man is daarom ook niet-ontvankelijk in dit verzoek.
Hoofdzaak en voorlopige voorziening
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de man niet-ontvankelijk;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter tevens (kinder)rechter, en mr. M. Fiege en mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechters en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 11 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.