RECHTBANK ROTTERDAM
Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/702043 / JE RK 25-1310
Datum uitspraak: 15 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 25 juni 2025, mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
Voorafgaand aan de zitting heeft de moeder de kinderrechter verzocht om de zitting via video-bellen of telefonisch bij te kunnen wonen. De kinderrechter heeft de moeder bericht dat zij er de sterke voorkeur voor heeft om de moeder ter zitting in persoon te spreken, omdat er dan een beter gesprek gevoerd kan worden. De moeder is niet verschenen. De kinderrechter heeft de zitting buiten de aanwezigheid van de moeder doorgang laten vinden, mede omdat haar advocaat wel ter zitting aanwezig was.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] verblijft in een kamertrainingscentrum van Prokino. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij [naam groep] in Borculo.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 augustus 2024 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 22 augustus 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 22 augustus 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Sinds de uithuisplaatsing gaat het beter met de kinderen. Zij ervaren meer ruimte en vrijheid. [minderjarige 1] is zelfstandiger geworden en gaat sinds mei 2025 weer naar school. Hij is over naar het volgende jaar, wat erg knap van hem is. Daarnaast sport hij weer. Doordat Prokino erg gericht is op zelfstandigheid, kiest [minderjarige 1] ervoor om overdag vaak bij zijn moeder langs te gaan. Opvallend is dat de moeder gedurende de uithuisplaatsing verder weinig interesse en belangstelling toont voor de kinderen. Tijdens eerdere omgangsmomenten bij Bergse Bos was er sprake van weinig interactie tussen de moeder en [minderjarige 3] en de moeder weigert om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te bezoeken in Borculo. De lange afstand speelt daarbij een rol, maar de moeder staat er ook niet voor open om met de GI te kijken wat er nodig is om een bezoek mogelijk te maken. De GI is hard op zoek naar een plek voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de buurt bij de moeder, zodat het contact en de omgang tussen hen makkelijker wordt en kan worden onderzocht of een thuisplaatsing op termijn weer mogelijk is. Door de afstand, maar ook doordat de moeder de samenwerking met de GI uit de weg gaat, kan een thuisplaatsing nu niet worden onderzocht. De ambulante hulpverlening van Enver mocht één keer binnenkomen bij de moeder en daarna is de hulp gestagneerd.
4. De standpunten
Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat de moeder het liefst geen kinderbeschermingsmaatregelen wil, maar ook dat zij niet heel veel moeite heeft met een ondertoezichtstelling. Primair is daarom verzocht om het verzoek tot ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om alleen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De moeder is van mening dat de kinderen weer thuis kunnen komen wonen, omdat zij in staat is om voor hen te zorgen. Het huis is weer op orde en de kinderen kunnen bij de moeder in de buurt naar school. Meer subsidiair is verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen dan is verzocht, om de druk op te voeren dat er snel een plek voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de buurt van de moeder wordt gevonden. Het is organisatorisch niet mogelijk voor de moeder om hen te bezoeken in Borculo, waardoor zij hen al ruim anderhalf maand niet heeft gezien. Een kortere verlenging geeft de moeder ook de gelegenheid om op korte termijn wel in persoon op de zitting te komen om haar mening naar voren te brengen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Zij zijn op 20 mei 2025 uit huis geplaatst, omdat zij opgroeiden in een geïsoleerde opvoedsituatie. Zij gingen al langere tijd niet naar school en kwamen niet meer buiten. Daarnaast was de woning vervuild, zagen de kinderen er onverzorgd uit en was er bij de twee jongsten sprake van overgewicht. Ook waren er grote zorgen over de stagnatie van de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. De moeder heeft onvoldoende inzicht in de problematiek. Daarnaast heeft zij door negatieve ervaringen in het verleden erg weinig vertrouwen in de GI. Een en ander heeft tot gevolg dat zij de samenwerking met de GI uit de weg gaat en hulpverlening weigert. Hierdoor is het gedurende de ondertoezichtstelling nog niet gelukt om de zorgen over de opvoedsituatie weg te nemen. Een terugplaatsing van de kinderen is daarom (nog) niet aan de orde. Dit geldt ook voor [minderjarige 1] . Nu hij bij Prokino verblijft, gaat hij weer naar school en sport hij weer. Hoewel hij overdag al veel bij de moeder thuis is, is de kans zeer groot dat zijn schoolgang opnieuw zal stagneren en hij weer geïsoleerd zal raken als hij weer bij de moeder gaat wonen en er geen zicht meer op hem is vanuit Prokino. Wel zou de jeugdbeschermer met [minderjarige 1] een weekrooster kunnen opstellen, waarin [minderjarige 1] bijvoorbeeld doordeweeks bij Prokino verblijft en naar school gaat en in de weekenden bij de moeder logeert. Het is aan de GI om in te schatten of dit tot de mogelijkheden behoort en in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige 1] is.
Om de mogelijkheden van een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder te kunnen onderzoeken is het van groot belang dat zij haar medewerking verleent aan de begeleiding door de GI en de noodzakelijke hulpverlening. Hierbij is van belang dat de moeder regelmatig contact en omgang kan hebben met de kinderen. Doordat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nu zo ver weg zijn geplaatst, wordt de omgang tussen hen en de moeder feitelijk onmogelijk. Dit is niet in het belang van de kinderen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat er zo snel mogelijk een plek moet worden gevonden voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de buurt van de moeder, zodat regelmatig omgang kan plaats vinden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is de verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals verzocht, noodzakelijk. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor een kortere duur dan verzocht, omdat het van belang is dat de kinderen zo spoedig mogelijk dichter bij de moeder worden geplaatst. De kinderrechter houdt het overig verzochte aan tot de hierna te noemen zittingsdatum
De GI wordt verzocht om uiterlijk een week voor de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de laatste ontwikkelingen, met afschrift aan de moeder en haar advocaat.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 22 augustus 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 december 2025;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
roept de GI, de moeder (in persoon!) en haar advocaat op voor de zitting van mr. A.A.J. de Nijs op 3 december 2025 om 13:30 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, Steegoversloot 36, om nader op de aangehouden verzoeken te worden gehoord;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
geeft de griffie opdracht om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te roepen voor een kindgesprek op een nader te bepalen datum en tijdstip voorafgaand aan de zitting;
verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de moeder en de advocaat.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier, en op schrift gesteld op 3 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.